Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, kon ons soms wel schieten. Dat kwam zo. Op saaie zondagmiddagen gingen we schooltje spelen. We plaatsten een schoolbord met krijtjes midden in de kamer en schreven de namen van de leerlingen erop. Daarna zetten we stoelen achter en voor de stoel waar mijn vader al in zat. Een rijtje van vijf, dat was de klas. Op de eerste stoel zat Loekie de poes, op de tweede een pop, dan een stoffen hondje, dan kwam er een oude dikke jongen dat was mijn vader, en op de laatste stoel onze andere poes Mimi. De poezen gingen meteen slapen, de pop en het hondje deden mee om de klas vol te krijgen, en de belangrijkste leerling was mijn vader. We zeiden alles keihard wat hij op dat moment deed. ,,Wil die vervelende jongen niet aan zijn neus zitten'', als mijn vader even aan zijn neus krabde.

Als hij zat te zuchten, riepen we in koor: ,,Stop met dat zuchten, anders moet je in de hoek.'' Als hij de krant las, gaven we er een klap tegen en zeiden, ,,Jij mag niet lezen, je moet leren''.

Als hij opstond om iets te gaan doen, duwden we hem weer op zijn stoel, en kreeg hij een klap met een lineaaltje. Mijn vader had helemaal geen zin om met ons te spelen. Hij wilde lekker zitten suffen, maar hij moest van ons bij de les blijven. Op een gegeven moment werd hij het zo zat, dat hij naar de schuur liep en terug kwam met de mattenklopper. De schooljuffrouwen kropen meteen onder de tafel.