Lachen met Darwin

Ruim veertien dagen ligt Giselinde Kuipers' Goede humor, slechte smaak. Nederlanders over moppen op mijn bureau. Ik heb er in gebladerd, hier en daar iets gelezen en een van de grappen uit het boek bij verschillende gelegenheden met succes naverteld:

`Komt een man bij de dokter, die zegt dat hij maar de helft verstaat van wat de mensen tegen hem zeggen. Goed zegt de dokter, doen we even een gehoortest, gaat u maar in de hoek staan. De dokter gaat in de andere hoek van de spreekkamer staan en fluistert: ,,achtentachtig'.

,,Vierenveertig,' roept de man.'

Humor en lachen. Ik heb heus boeken over dit onderwerp in de onderkast. Noel Malcolms The Origins of English Nonsense (1997), Henri Bergsons Het lachen. Studie over de beteekenis van het komische (1920), M.A. Screech's Laughter at the Foot of the Cross (1997), Rudolf Dekkers Lachen in de Gouden Eeuw (1997), Jan Bremmers en Herman Roodenburgs Homo Ridens (1999) of Sander Schroevers humoristische citaten voor magistraten en advocaten in Met Recht, humor (1995). Ik kan uit deze stapel eigenlijk maar één leuk ding citeren. Screech schreef, als ik het mij goed herinner, dat het publiek bij de aanblik van de gekruisigde Christus in lachen uitbarstte (men dacht dat het een nar was) en zegt: `Dit heeft het lachen onder Christenen verdacht gemaakt.'

Voor de rest lijkt het wel alsof alles in mij zich tegen het lezen van lachstudies verzet. In een huilstudie als Tom Lutz' recent verschenen Een geschiedenis van de traan daarentegen ben ik al halverwege gevorderd. Hoe zou dat toch komen?

Een probleem leek aanvankelijk de gemeenplaats. In Kuipers' Goede humor, slechte smaak stuitte ik op zinnen als `Sommige moppen zijn dus beter, leuker, grappiger dan andere', `Goede humor betekent niet voor iedereen hetzelfde', of `Humor verschilt van cultuur tot cultuur'. Maar verder is er met de studie van Giselinde Kuipers geen enkel probleem. Haar sociologie van de mop is een degelijk, gravend boek, gebaseerd op veldwerk en leeswerk, ik vind er veel eruditie in. Waarschijnlijk ben ik zelf het probleem, misschien zijn er wel lezers die voor bepaalde boeken niet geschikt zijn.

Op een kwade dag bedacht ik eens zelf een mop. Er was er maar één die lachte, de jongen naast wie ik in de schoolbank zat. Hij kwam niet meer bij. Ik sprak hem twintig jaar later, debiteerde mijn oude mop, maar geen spier vertrok meer in zijn gezicht. Daar ging mijn eenmanspubliek.

Klein leed, dat toch gretigheid had moeten wekken bij een boek over hoe moppen werken.

`Ja, ik vind humor is humor hoor, wat mij betreft mag 't allemaal', zegt een van Giselinde Kuipers' informanten. Laat ik mijn mop dan nog eenmaal proberen:

Een Amerikaanse journalist is op zoek naar een verdwenen missionaris en komt na tal van omzwervingen in een dorp waar de bedoelde priester toch moet wonen. Hij legt zijn rugzak af en loopt naar een witgekalkt, stenen schooltje op het dorpsplein, waar de missionaris inderdaad op de veranda verschijnt. De journalist loopt op hem toe, schudt vervolgens de hand van de oude priester en zegt: ,,Stanley Livingstone, I presume?'

Dat was de mop.

Nu ga ik toch in Goede humor, slechte smaak kijken waarom hij niet werkt.

In de eerste plaats zegt Kuipers: `Voor mondeling overgedragen genres als de mop gelden keiharde darwinistische principes. Moppen die niemand leuk vindt krijgen niet de kans om te overleven, ze worden domweg niet doorverteld.'

Nu begrijp ik waarom ik mijn mop nooit van iemand anders hoorde.

Dan lees ik: `Moppen worden waarschijnlijk überhaupt niet verzonnen, maar ontstaan in de loop van vele interacties.'

Ik kan daar twee dingen uit concluderen. Of mijn mop is geen mop, of er zijn te weinig interacties aan voorafgegaan.

Een andere verklaringsgrond vind ik in Kuipers' zinsnede over een gebrek aan mopwaardering bij `mensen die te veel met de neus in de boeken zitten.'

Hm, misschien heb ik ze aan de verkeerde mensen verteld. Ik bel onmiddellijk een bevriende melkboer en vertel hem mijn mop tussen de klandizie door.

,,Was dat de mop?'

Zijn winkel heet `Melkhandel Nieuw leven', mijn Stanley Livingstone lijkt op sterven na dood.

Een van de mooiste getuigenverklaringen in Goede humor, slechte smaak is die van een vrouw over een onsympathieke, gevatte kennis:

`Ja er is een jongen in mijn kennissenkring die moordend geestig is. En op een analytische, rechtlijnige manier. Ik kan daar wel op reageren maar dat valt dan allemaal plat op zijn bek en ik ben dan absoluut niet geestig of leuk. Ik denk ook dat het komt omdat-ie je niet hoort. Maar machteloos makend geestig. Dat ik platgeslagen in een stoel erbij zit. En het is natuurlijk leuker als er een uitwisseling van humor is.'

Op deze indirecte manier heb ik me tenminste Giselinde Kuipers' belangrijke studie ingewerkt. Meteen verder lezen, fascinerend boek, goed luisteren naar wat ze zegt. En over mijn zelfbedachte mop, ik troost me met de illusie dat Darwin hem misschien machteloos makend geestig had gevonden.

Giselinde Kuipers: Goede humor, slechte smaak. Nederlanders over moppen.

Boom, 255 blz. ƒ39,50