Is dat voorvocht?

RIVAROTTA DI PASIANO. Hoeveel levens heb je nodig om je doel te bereiken? En wat te doen met alles wat tussen jou en dat doel in staat? De bomen die gekapt moeten worden, zal ik maar zeggen.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik minstens twee levens nodig heb om mijn doelen te bereiken, maar ik sluit niet uit dat ik daar drie of vier van moet maken.

Niet lang na onze aankomst arriveerde een groep Amerikanen in Vila Luppis, een tot hotel omgebouwd klooster tussen Triest en Venetië. De Amerikanen maakten deel uit van een kerkgenootschap in New Jersey. Zij reisden door Italië met het doel zoveel mogelijk kerken te bezoeken en in de tussentijd over eten, zwembaden en God te praten.

God is mij een doorn in het oog. Zijn volgelingen: kleine doornen. Wat niet wegneemt dat ik iedereen kan aanraden het oude en nieuwe testament regelmatig te lezen.

Het behang in de kamers van Villa Luppis is truttig, maar daar kijk ik dwars doorheen. Verder niets dan lof.

Het diner wordt op de patio geserveerd. Op vrijdag- en zaterdagavond speelt een man met een verwrongen gezicht op een elektronisch orgel. Ook verzoeknummers.

Het eten in vier- en vijfsterrenhotels viel ons niet meer mee. Eten was werken geworden, maar zoals Voltaire al opmerkte werken behoedt je voor de drie grootste rampen in het leven: verveling, ondeugd en honger.

Er zijn waarheden die elkaar uitsluiten. Je kan niet op hetzelfde moment op plaats A zijn en op plaats B, je kan niet tegelijkertijd samen zijn en alleen. Dit probleem heb ik opgelost door dergelijke waarheden onder te brengen in verschillende levens. In elk leven afzonderlijk ben ik kreukvrij en relatief smetteloos. Als je alle levens op elkaar legt krijg je een ander beeld. Bewogen, wazig, korrelig en niet meer kreukvrij.

Al die levens samen vertellen het verhaal van een vlucht, zoveel is me nu wel duidelijk. Waarvoor we op de vlucht zijn en waarheen, dat staat nog open.

Een van mijn betere, mooiere en lievere levens had mij naar Villa Lupis geleid. Ik geloof dat sommige van mijn levens liever zijn dan derden, zachter, gevoeliger voor de ontroering van anderen.

Het diner was bijna afgelopen, de gelovige Amerikanen zaten er nog, een Franse familie met drie kinderen van wie één voortdurend leek te huilen, toch wekten ze de indruk een gelukkige familie te zijn. En wij. Met de reflectie kwam de melancholie. Angst om misstappen uit het verleden te herhalen, misstappen die misschien wel onvermijdelijk waren, maar toch.

Daarvoor heb je meerdere levens nodig, om meer te zijn dan je misstappen. Een beschermingsprogramma voor ooggetuigen die bereid waren te getuigen. Zo moet je je dat voorstellen.

Toch kan het verleden op je blijven drukken als een te zware maaltijd op de maag. ,,Laten we gaan zwemmen'', zei Aap.

,,Nu?''

Ze knikte.

,,Is dat niet slecht?''

,,Waarom zou dat slecht zijn?'' vroeg ze.

,,Na alles wat we gegeten hebben. En gedronken. Ik heb ergens gelezen dat dat slecht is.''

Aap maakte mij geregeld belachelijk. Ze beweerde dat ik Nederlands sprak met een Duits accent. Iets wat pertinent onwaar is. Toch moest ik vaak lachen als zij mij imiteerde, misschien omdat ik achter al de imitaties dierbaarheid vermoedde.

Ik sluit niet uit dat precies dat zich onttrekt aan de transactie. Seks, liefde, begeerte en begeerlijk zijn, dat alles kan in meer of mindere mate gekocht en verkocht worden, maar dierbaarheid zit in zulke minuscule details, zoiets gaat lastig over de toonbank. Ze stond op.

Het was middernacht, tijd voor het water.

Aap liep in draf naar het zwembad. Ik volgde haar. In mijn pak.

De tuin van de monniken was groot.

Er brandden drie schijnwerpers bij het zwembad. De ligstoelen stonden er als spoken omheen. Ook het zwembad hield er een dubbelleven op na.

Aap kleedde zich snel uit. Geroutineerd, zonder nadenken.

Ik drapeerde mijn pak zo goed en zo kwaad als het ging over een ligstoel. Ik denk altijd na als ik me uitkleed.

De schijnwerpers produceerden een zoemend geluid.

Ik had gemeend dat we in ons ondergoed gingen zwemmen, maar Aap stond zo naakt voor me als maar mogelijk was. Ze wiebelde van een voet op de andere. ,,Wat duurt dat lang meneertje'', zei ze.

,,Ik dacht dat we in ons ondergoed gingen zwemmen.''

,,Nee,'' zei ze, ,,dat is een beetje vies, Arnon.''

De misantroop is bij uitstek een product van de burgerlijke cultuur, met burgerlijke verlangens, en burgerlijke angsten die nu eenmaal onvermijdelijk aan die verlangens vastzitten.

Naakt gingen we het water in. Aap als eerste, ik sprong haar achterna.

Wat zij bij voorkeur deed was reddend zwemmen.

Ik moest dan doen alsof ik verdronk en zij ging me redden. Dat deed ze nogal hardhandig en vaak duwde ze me bij die reddingspogingen diep onder water, maar ik gun iedereen zijn pretjes.

,,Ik hoop niet dat het management van Villa Lupis iets tegen nudisten heeft'', zei ik, met een blik op het hotel, want half en half verwachtte ik toch ieder moment een badmeester met een grote haak.

,,Laten we weer even reddend gaan zwemmen'', zei ze.

Nu we hier alleen waren, hoorden we de vreemde geluiden die het zwembad produceerde. Kleppen die open en dichtgingen, maar ook een curieus gerommel alsof er een aardbeving op komst was. Ik deed alsof ik verdronk.

,,Even mond-op-mond beademing toepassen'', zei ze en kneep in mijn neus.

,,Je doet je altijd zo duivels voor,'' zei ze, ,,maar daarvan heb ik nog niets gemerkt.''

,,Dat komt nog,'' zei ik, ,,wacht maar af, dat komt nog.''

Zo hielden we elkaar vast in het zwembad, met de ligstoelen als toeschouwers om ons heen.

,,Kijk,'' zei ik, ,,als ik schrijf, Aap is mooi, Aap is lief, daar win ik de Nobelprijs niet mee.''

,,Jawel,'' zei ze, ,,daar win je hem wel mee, dat heb ik ergens gelezen.''

Alle andere levens waren even ver weg. Er was maar één leven, en in dat leven dronk ik het zwembadwater uit Aaps mond. Me af en toe losrukkend om naar het hotel te kijken of de man met de haak al onderweg was.

,,Ik heb even een plasje gedaan'', zei Aap.

,,Fijn dat je me op de hoogte houdt.''

Ik klom in haar omdat één leven één waarheid impliceerde: deze. De luiken van het zwembad openden en sloten zich. Ik zag onze kleren. De hare op een hoopje. ,,Is dat voorvocht?'' vroeg zij.

We hadden wel duizend condooms bij ons, maar natuurlijk niet hier, bovenop de kamer, bij het truttige en toch liefelijke behang.

,,Dat was een beetje onveilig, meneertje'', zei Aap.

,,We moeten,'' zei ik, ,,ons afdrogen.''

,,We hebben geen handdoeken.''

,,We moeten,'' zei ik, ,,over het grasveld rennen tot we droog zijn.''

Ik had die middag gemerkt dat ik het fijn vond om over grasvelden te rennen. Achter iemand aan. Of iemand anders achter mij aan. Anders ben ik niet vooruit te branden.

Die middag had het zwembad vol met Amerikanen gezeten, sprekend over verlossing. Ik rende achter Aap aan, gooide haar op de grond en maakte bewegingen met mijn lichaam, omdat de volgelingen van God mij een doorn in het oog zijn.

Toen we terugkeerden naar het zwembad, riep een Amerikaan: ,,Take a cold shower.'' Vergeef me, maar zoiets noem ik een overwinning.

Nu was het ver na middernacht. Geen Amerikanen, geen God.

,,We hebben onze sleutel op de tafel laten liggen'', zei ik toen we het hotel naderden.

Onze kleren waren nog aardig nat van het voorvocht van het zwembad. De receptionist zwaaide al met onze sleutel. Hij was nudisten goed gezind.

Deze momenten dus: blijven rennen, na middernacht, over een grasveld, maar ook om vier uur 's middags in de felle zon, alsof er geen andere levens zijn en geen andere waarheden.