Invloedrijk diplomaat

Een Nederlandse ambtenaar wordt in een hoog en belangrijk Europees bestuurscollege benoemd en de kop in de krant luidt: ,,Een verlies voor Nederland''. Dat is werkelijk gebeurd, zij het in 1952. Namelijk toen de afgelopen maandag overleden Dirk Pieter (roepnaam Dick) Spierenburg als ambtenaar bij Economische Zaken vertrok om lid te worden van de Hoge Autoriteit van de net opgerichte Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het negenkoppige bestuur van de experimentele voorloper van de huidige Europese Unie.

Zo'n kop (in de toenmalige Nieuwe Rotterdamse Courant) zou vandaag, nu er om elke hoge internationale benoeming wordt gevochten, ondenkbaar zijn, maar er was toentertijd wel een verklaring voor te geven. Want Spierenburg, destijds op Economische Zaken directeur-generaal buitenlandse economische betrekkingen (BEB), behoorde als 39-jarige tot een groepje buitengewoon bekwame ambtenaren die in de eerste zeven jaar na de oorlog een grote persoonlijke bijdrage aan de nationale wederopbouw leverden. Tot die in de BEB-sfeer gevormde, met veel eigen autoriteit opererende ambtenaren behoorden behalve Spierenburg ook mensen als E.H. van der Beugel (de latere staatssecretaris), C.L. Patijn (het latere Kamerlid), Max Kohnstamm, de latere Europese topman E.P. Wellenstein en de nog jonge Norbert Schmelzer, die het tot fractieleider van de KVP en minister zou brengen. ,,Onze invloed was in die jaren groter dan onze omvang'', zou Van der Beugel later trots zeggen.

Spierenburg, in 1909 in Rotterdam geboren en, nog voor zijn doctoraal examen aan de toenmalige Economische Hogeschool, al in 1935 door Economische Zaken gescout en geworven, was een hoogstbegaafde workaholic, die als 27-jarige op de Balkan met succes zelfstandig over handelsakkoorden onderhandelde. Direct na de oorlog bevestigde hij zijn naam als onderhandelaar door, bijvoorbeeld in Frankrijk en België, in ruil voor zuivelproducten, in '45 deals te sluiten over glas voor Nederlandse woningen (de winter kwam eraan) en grondstoffen voor de chemische industrie. Desgewenst kon Spierenburg op een paar piano's tegelijk spelen. Zo was hij, naast zijn BEB-werk, in de late jaren veertig ook plaatsvervangend regeringscommissaris voor een Europees herstelplan alsook (in Parijs) hoofd van de Nederlandse missie die over het latere Marshallplan onderhandelde.

Na zijn EGKS-periode keerde Spierenburg in de vroege jaren zestig terug in de Nederlandse overheidsdienst. Of eigenlijk: hij werd wat hij feitelijk allang was: topdiplomaat. Eerst, tot 1971, ambassadeur bij de EG en vervolgens (1971-'74) ambassadeur bij de NAVO. Na zijn pensionering hield hij niet op. Hij werd voorzitter van een naar hem genoemde commissie die de regering over de toekomst van Europa moest adviseren. Deze commissie bepleitte (in 1975!) een monetaire unie en versterkte Europese samenwerking op het gebied van defensie, zij het dat laatste niet buiten NAVO-verband. Groot succes boekte hij daarna nog als onderhandelaar met Europese afnemers van Nederlands aardgas, die hij, wijzend op komende en waarschijnlijk dure Sovjet-offertes, tot koppeling van de gasprijs aan de stookolieprijs wist te bewegen. Dat leverde de nationale staatskas miljarden op.