Hier zijn geen mensen

In 1999 verscheen Scanning the Century, The Penguin Book of the Twentieth Century in Poetry. Deze bloemlezing beoogde niet de beste poëzie van de eeuw te bieden, maar te tonen welke sporen die eeuw in gedichten had nagelaten. De keus was internationaal; ook de Nederlandse poëzie was gescand. Je zou dus verzen van Campert, Claus of Lucebert verwachten, maar die ontbreken. Het Nederlandse aandeel beperkt zich tot de vertaling van een poëtisch pamflet over vrede in het jaar 2000: de `Coda' van het `Zelfrepeterend gedicht' uit Illusie & illuminatie (1975) van Sybren Polet.

Misschien heeft de dichter zich ook zelf verbaasd over dit eenzame eerbetoon. Maar zo'n twijfelachtige eer past wel bij de wankele reputatie die Polet als dichter, romanschrijver en literair theoreticus heeft. Zijn `konkrete poëzie' had in de jaren zestig een fanatieke, zij het beperkte lezerskring en Mannekino (1968) en De sirkelbewoners (1970) golden een decennium lang als cultromans; maar er waren ook tegenstemmen. Wat Polet als experimenteel en concreet presenteerde werd door andersgezinden als pretentieus beschouwd, of monkelend `Nieuwe wartaal' genoemd. Als gevolg van die kritiek trok de schrijver zich in de jaren tachtig terug omdat, zoals hij het zelf bitter formuleerde, de strijd tegen de burgerlijke realisten en hun cynische aanhang niet te winnen was. Maar hij bleef schrijven. Er verschenen nog twee prozaboeken en twee dichtbundels. Als heremiet vond hij ook tijd voor een hybride studie over het scheppingsproces in de kunst, en in 1999 publiceerde hij nog een lijvige roman.

Daarbij komt nu een nieuwe dichtbundel, Ruisvenster. De zeventig verzen daarvan zijn niet afzonderlijk gepubliceerd, maar openen een verzamelbundel die Polets dichtwerk van 1998 tot 1948 in de tijd teruggaand omvat. Enkele oudere bundels zijn min of meer fors getrimd, stelt de dichter in zijn Verantwoording, en een aantal gedichten werd, soms ingrijpend, bewerkt. Dat zijn debuut in deze verzamelbundel ontbreekt, vermeldt hij niet. Die bundel, Genesis, publiceerde hij in 1946 ook niet als Sybren Polet, maar nog onder eigen naam: Sybe Minnema.

Gedichten 1998-1948 biedt de kans om het dichtwerk van Polet, van Demiurgasmen (1953) tot en met Ruisvenster (2001), in verband te zien. Wat dadelijk opvalt is de hechte trouw die hij zijn eigen poëtica vijftig jaar lang heeft betoond. Anders dan zijn collega-experimentelen heeft Polet van meet af aan voor intellectuele controle op het dichten gekozen. Schrijven was en is voor hem geen associatief woordenspel, maar een verstandelijk proces. Net als in zijn verhalen en romans, gaat het in zijn poëzie om het concreet maken van gedachten en ideeën. Daarbij put hij, in zijn eigen woorden, bij voorkeur uit de `wereld van de machine, van de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen, banale beroepen, en andere typisch anti-poëtische zaken, of liever, zaken die voorheen als anti-poëtisch werden ervaren.'

Ook in Ruisvenster bepaalt deze opvatting de ondertoon. `Mijn poëzie is beïnvloed door het marktwezen, door de krant' dichtte Polet in 1962. Anno nu is daar de televisie bijgekomen, met de bekende Nederlanders. Polet beschrijft zo'n `TV-ster', en de inzet van het vers is typerend voor zijn stijl en idioom:

Omhangen met sieraden van immaterie

die zich bij tijden zichtbaar schitteren

tussen duizend asterisk-ogen en sterrensproeisel.

Ik bespaar u de rest van het gedicht en ook de `huwbare moleculen', de `gnoom van een genoom' en `No-no-Nintendo' verdienen geen citaat. Maar dat betekent niet dat ik mee ga zingen in het koor dat de poëzie van Polet als wartaal classificeert. Zijn taalgebruik is me soms te uitgelaten, zijn citaatverhaspelingen zoals `Alles van waarde is weerbaar' (in `Vrolijk gevaar') vind ik ronduit flauw, maar soms duikt echte humor in zijn verzen op. In Concrete poëzie (1962) gebeurde dat bijvoorbeeld in `Portret van een dichter'. `Hij weet met zijn wijsheid/ geen raad,' stellen de openingsregels: `Hij is/ 260% wijzer dan hij is. Hij is zelfs/ 60% wijzer dan hij denkt.' En in de slotregels loopt dit model van zelfspot `over het land/ als een vader over het moederland.'

In Ruisvenster leidt hetzelfde gevoel voor humor tot het vervreemdende slot van het gedicht `Tijdschap'. Zo onmogelijk als de titel is, zo onontkoombaar en trefzeker is de gedachtengang die hier wordt ontvouwd:

Oude locomotieven floten hun leitmotiven.

Astmatische ademdruppels daalden neer. De lucht

was zowel warm als koud. Het regende rond

ieder rund en er waren er legio; en ook

ieder mens schiep zijn eigen regio, zijn

tijdgeest. Verder had niemand iets gezien,

iets gevoeld. Elke oorlog voltrok zich

in een regendruppel, werd ingeademd

als mist, als stoom uitgestoten, piepend.

Tegen zessen viel er een hevige neerslag.

De soepkommen stonden al op tafel. Toen

diende zich de eerste zwerver aan. Binnen,

klopte hij nog steeds op de buitendeur. Niemand

deed open, want buiten stond niemand meer.

Buiten stond alleen ik voor de deur.

`Ik' en `we' zijn hoofdrolspelers in Polets poëzie. En een `je', waarvan niet altijd duidelijk is wie hij daarmee bedoelt. Nu eens is het een (of de) geliefde die de regels aanspreken, maar vaker lijkt het om een onpersoonlijk `je' te gaan, een Mr. X of Iks of Ickx uit Persoon/Onpersoon (1971). Jacq Firmin Vogelaar heeft in 1973 in Literair lustrum 2 uiteengezet hoe we de personages in Polets werk kunnen beschouwen. `De hoofdpersoon heet niemand' is de titel van zijn essay. Het meest opvallende, stelde Vogelaar, is dat de personages bij Sybren Polet geen `psychologische gestalten' zijn. Men treft in zijn werk geen `levende mensen' aan. `Zelfs al hebben ze herkenbare trekken, het zijn geen individuen. Er zijn geen personen die een bepaalde identiteit verwerven, die zich als persoonlijkheden aftekenen tegen een decor van milieu, medemensen en gebeurtenissen. Daarmee ruimt Polet van meet af aan op met het burgerlijk-liberale en in de literatuur nog steeds de boventoon voerende sprookje, dat het individu tegenwoordig tegen alle verdrukking in zijn persoonlijkheid nog kan ontwikkelen.' De onmogelijkheid ervan vormt, aldus Vogelaar, zelfs het kernthema van Polets werk.

Vogelaar had het over de romans die Sybren Polet in de jaren zestig en zeventig publiceerde, maar de personages in Polets poëzie verschillen niet wezenlijk van die in Mannekino. In de ruim zeshonderd pagina's van Gedichten 1998-1848 liggen de voorbeelden volop voorhanden. In het verlengde van Vogelaars betoog zou nu een boeiend essay over `ik' en `iks' in de verzen van Sybren Polet kunnen worden geschreven.

Maar of dat nieuwe liefhebbers van zijn gedichten zou kweken betwijfel ik. Want burgerlijk-liberaal of niet, poëzielezers houden meer van `levende mensen' dan van machines.

Sybren Polet:

Gedichten 1998-1948. De Bezige Bij, 624 blz. ƒ89,90

Nederlandse literatuur