Het rotsvaste geloof in `publieke' kunst

Amsterdam staat in september met tentoonstellingen en symposia in het teken van beeldende kunstwerken in de openbare ruimte. Vroeger werkten architecten en kunstenaars daar nog samen aan. Nu beconcurreren ze elkaar liever. De toeschouwer moet meer participeren.

Architectuur en beeldende kunst zijn twee gescheiden disciplines, die tegenwoordig zelden nog tot een synthese komen. Dat is ten onrechte, betoogt oud-museumdirecteur Jean Leering in zijn lijvige boek BeeldArchitectuur en Kunst. Want de architect en de beeldend kunstenaar hebben een overeenkomstige taak: het `genereren van een betekenend beeld in het bewustzijn van de beschouwer of de gebruiker'.

Volgens Leering komt de beeldende kunst, net als de architectuur, pas volledig tot haar recht als opdrachtgever, maker en gebruiker er gezamenlijk aan `deelnemen'. Het kunstwerk werkt op de beschouwer in en doet bij hem een mentaal beeld ontstaan: de bijdrage van de `gebruiker' aan het kunstwerk. Leering citeert in dit verband Joseph Beuys: Jeder Mensch ist ein Künstler. Dit mentale beeld is de eigenlijke betekenis van het werk. Kunst en architectuur hebben zodoende, aldus Leering, een `heteronome doelstelling', in tegenstelling tot de in de kunstwereld algemeen geaccepteerde `autonome' doelstelling, waarbij het kunstwerk alleen een eigen waarde vertegenwoordigt, zonder dat bij de totstandkoming rekening is gehouden met de rol van de beschouwer of gebruiker.

BeeldArchitectuur en Kunst verschijnt op een moment waarop het verschijnsel van kunst in de openbare ruimte zeer actueel is. Jonge kunstenaars proberen op allerlei manieren te ontkomen aan wat zij ervaren als de verstikkende greep van museum en galerie en willen hun kunst `daarbuiten', in de dagelijkse wereld, ontwikkelen. Deze maand staat in het teken van kunstwerken die in de afgelopen jaren in Amsterdam zijn gerealiseerd in opdracht van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, met diverse tentoonstellingen en symposia.

Terwijl kunsthistorica Ina Boiten zich in haar eveneens recent verschenen Publieke Kunst richt op eigentijdse kunstenaars, kijkt Leering vooral terug. Tot in de negentiende eeuw was de beeldende kunst, aldus Leering, geintegreerd in het leven van alledag. Veel kunstwerken die in de musea worden bewaard zijn ooit ontstaan in openbare en semi-openbare ruimten, waar zij hun visuele werking hadden temidden van andere dingen die met het leven zelf verbonden waren. Maar in het museum is die band vervaagd en fungeert het kunstwerk alleen nog als autonoom object. Daarom zijn onze musea, die pas tweehonderd jaar bestaan, er mede de oorzaak van dat de openbare ruimte niet langer de vanzelfsprekende plaats is voor een ontmoeting tussen kunst en leven.

Piramiden

BeeldArchitectuur en Kunst biedt een geschiedenis van het samengaan van kunst en architectuur sinds het begin van onze beschaving. Leering onderscheidt vanaf de vruchtbaarheids-tempels en piramiden van de Egyptenaren van ca. 3000 voor Christus tot 1990 na Christus, het eindpunt van het boek, twee tendensen die elkaar afwisselen en die ook gelijktijdig kunnen optreden, een abstracte en figuratieve tendens. Zo is de gotiek, met zijn overvloed aan sculptuur, een `figuratieve', verhalende, reactie op het sobere, meer abstracte Romaans. In een figuratieve periode bestaat er in de architectuur meer behoefte aan beeldende kunst dan in een abstracte periode. Dit betekent niet per se, aldus Leering, dat de kunst daarom aan de architectuur ondergeschikt is; in gotiek en barok gaan de twee op een gelijkwaardige manier samen. Pas vanaf de negentiende eeuw, wanneer de twee disciplines uit elkaar groeien, ontstaat er een vijandige concurrentie. De architect Adolph Loos, beroemd pionier van het functionalisme, zag bijvoorbeeld geen enkele rol meer weggelegd voor de beeldende kunst in de architectuur. Volgens Berlage had de beeldende kunst ten opzichte van de bouwkunst een louter dienende, decoratieve functie. Weliswaar zijn er in de moderne tijd ook voorbeelden, zij het schaars, van kunstenaars die het initiatief nemen tot bouwkunst, zoals de door Leering bewonderde Theo van Doesburg. Maar ook bij Van Doesburg is er sprake van een vijandige concurrentie; de architect met wie hij samenwerkte, Cornelis van Eesteren, diende zich volledig ondergeschikt te maken aan Van Doesburgs visie.

Dat de beeldende kunst tegenwoordig geen plaats meer heeft in de openbare ruimte is een gevolg van de `ondernemingsgewijze opvatting van cultuur', aldus Leering. De economie is de belangrijkste factor geworden en de kunst waardeert men vooral als product en als bezit. Het publiek heeft hierbij een passieve, consumerende, in plaats van een actieve, participerende rol. In de ondernemingsgewijze cultuur kan dan ook geen goed opdrachtgeverschap gedijen, een essentiële voorwaarde voor kunst in de openbare ruimte.

Leering blijkt trouw te zijn gebleven aan zijn oude opvattingen. Opgeleid als architect, werd hij in 1963 directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Na tien jaar vertrok hij omdat hij zich niet langer wilde verhouden tot een museumcultuur die draait om het autonome kunstobject. Leerings pogingen om het dagelijks leven letterlijk, met tentoonstellingen als De Straat – Vorm van Samenleven, het Van Abbemuseum binnen te halen, stuitten alom op verzet. Ook als directeur van het Tropenmuseum in Amsterdam slaagde hij er in de jaren zeventig niet in om zijn ideaal van de maatschappelijke werking van de kunst, naar Beuys' model van kunst als Soziale Plastik, te verwezenlijken. Hierop verliet hij de museumwereld definitief. Tot aan zijn emeritaat in 1999 was Leering hoogleraar kunstgeschiedenis aan de TU van Delft.

Zijn boek is in zeker opzicht een apologie van zijn handelwijze als museumdirecteur. Onbegrijpelijk is deze drijfveer niet. Tot op de dag van vandaag wordt Leering vooral gewaardeerd om zijn spraakmakende tentoonstellingen en aankopen in de jaren zestig van destijds onbekende maar nu wereldberoemde kunstenaars als Frank Stella, Donald Judd, Bruce Nauman (diens eerste tentoonstelling in Europa überhaupt) en Joseph Beuys. Maar Leerings ideeën over de functie van kunst worden beleefd genegeerd. En ook wordt doorgaans voorbijgegaan, zoals Leering signaleert, aan de sociaal-maatschappelijke implicaties van het werk van bijvoorbeeld Beuys en Nauman.

In BeeldArchitectuur en Kunst staan talloze voorbeelden waarbij kunstenaars en architecten in het verleden succesvol samenwerkten. Jammer genoeg hebben de meeste mooie, illustraties een postzegelformaat gekregen. Nog bezwaarlijker is de bijzonder wijdlopige en didactische betoogtrant die het lezen tot een taaie onderneming maakt. Desondanks is BeeldArchitectuur en Kunst een bewonderenswaardige poging om een theoretische context te verschaffen aan een samenwerking tussen kunst en architectuur. En Leering betoont zich nog steeds de onverbeterlijke idealist die niets liever wil dan dat de kunst haar plaats in het openbare leven herwint.

Actueel

In idealisme doet Boiten niet onder voor Leering. Zij signaleert in Publieke Kunst het begin van een nieuw tijdperk waarin de kunst in de openbare ruimte, door haar `publieke kunst' genoemd, de hedendaagse mens – door internet en virtuele werkelijkheid vervreemd geraakt van de directe, zintuiglijke ervaring van de omgeving – terugvoert naar een bewust beleven van het hier en nu. Volgens Boiten is de hedendaagse openbare of `publieke' kunst, net als in het begrip publieke vrouw: prikkelend, uitnodigend om te gebruiken, voor iedereen toegankelijk, aansluitend bij sluimerende behoeften, een tijdelijke beleving biedend; een actieve participatie van de gebruiker is vereist. Boiten introduceert eigenschappen die de publieke kunst volgens haar typeren, zoals de `beleving van een plek', het `traject van het onderzoek', en de `mobilisatie van de beschouwer'. Maar haar praktijkvoorbeelden overtuigen niet. Buurtfeesten, brandblusapparaten vastgeketend aan informatieborden, `ruimtesculpturen' met licht en rook die de `identiteit van de omgeving centraal stellen' – dit alles is zo kinderachtig dat het als kunst niet serieus is te nemen.

Leering geeft toe dat het niveau van wat in de afgelopen vijftig jaar in Nederland door kunstenaars is gepresteerd in de openbare ruimte niet bijzonder hoog is. Hij lijkt zijn oog voor kunst dus niet te hebben opgeofferd aan zijn idealen, ook al is, zo blijkt tussen de regels, de verleiding groot. Boiten daarentegen propageert op opgewekte toon een kunst die tot een kleuterniveau is teruggebracht en in hapklare brokjes wordt aangereikt. Infantilisering wordt zodoende, met de beste bedoelingen, verwelkomd als een belangrijke vernieuwing in de kunst.

Het zou prachtig zijn wanneer de kunst een zinvolle plaats in de openbaarheid zou innemen. Maar een simplificatie van het begrip `geëngageerde' kunst, zoals bij Boiten, leidt tot niets. Een kunstwerk in de openbare ruimte moet voldoen aan dezelfde criteria van gelaagdheid en beeldende zeggingskracht als ieder ander kunstwerk. Als het daar niet aan voldoet, is het eenvoudig slechte kunst. Daarom heeft Leering volkomen gelijk wanneer hij er voor pleit dat niet alleen de kunstobjecten, maar ook het gedachtegoed van kunstenaars als Nauman en Beuys serieus moet worden genomen – misschien liggen daar wel de wortels voor een hergeboorte van kunst in het openbare leven.

Jean Leering: BeeldArchitectuur en Kunst; Het samengaan van architectuur en beeldende kunst.

THOTH, 415 blz. ƒ69,50

Ina Boiten: Publieke kunst, Nieuwe dimensies in ruimte en tijd, voor kunstenaar en publiek.

NAi Uitgevers en Stichting Kunst en Openbare Ruimte, 208 blz. ƒ49,50