Een kleine revolutie

Het `Jaarboek van de Architectuur van Nederland', een traditionele bestseller onder de architectuurboeken, fungeert voor veel opdrachtgevers als een soort telefoonboek van officieel goedgekeurde architecten. Het is steeds weer dezelfde parade van Koolhaas, Hertzberger, Van Berkel, MVRDV en andere min of meer `avantgardistische' architecten, aldus de critici. Het laat maar een subjectieve keuze zien – zeggen zij – van een redactie met een opvallende voorkeur voor nieuwe, gewaagde of anderzins opvallende gebouwen.

Nu valt het wel mee met de uniformiteit van die sleetse parade. Het recentste jaarboek is zelfs een kleine revolutie, want voor het eerst is het nieuwe traditionalisme, dat Nederland heeft overspoeld, sterk vertegenwoordigd. Anders dan de `supermodernistische' architectuur van onder anderen Rem Koolhaas, MVDRV en Ben van Berkel, kunnen de gebouwen van Rob Krier, Charles Vandenhove, Sjoerd Soeters en andere postmodernisten of neo-traditionalisten niet rekenen op enthousiasme in de vakbladen.

Erg overtuigende argumenten hebben hun tegenstanders niet. Hun afwijzingen zijn onveranderlijke varianten op de bewering dat het gebruik van oude, traditionele stijlen niet eigentijds is. `Waarom doen we alsof we opnieuw de middeleeuwen instappen, terwijl onze steden zijn gebaseerd op automobiliteit en het bouwproces door en door is geïndustrialiseerd?', schrijft de Jaarboek-redactie bijna wanhopig.

De neo-traditionalisten keren helemaal niet terug naar de middeleeuwen. Ze ontwerpen parkeergarages en brede wegen en ze gebruiken net zo goed geprefabriceerde betonplaten. Automobiliteit en industrialisatie van de bouw hebben geen enkel gevolg voor esthetiek – die blijft de keuze van de architect. Uiteindelijk berust de weerzin tegen het neo-traditionalisme alleen op een twintigste-eeuws Zeitgeist-moralisme, waarbij de architect `zijn eigen tijd' moet uitdrukken in `eigentijdse vormen'.

Het traditionalisme mag dit keer sterk vertegenwoordigd zijn, opvallend afwezig is de computerbarok. Hoewel computerbarok-architecten als Lars Spuybroek en Kas Oosterhuis hun ontwerpen afschilderen als de meest eigentijdse architectuur denkbaar en de redactie zegt zeer te hechten aan eigentijdsheid, zijn er geen alzijdig gekromde gebouwen opgenomen. De computerbarok blijft dus een belofte voor de toekomst.

Rest nog de vraag waarom de redactie onder de vele `dozen' ook de afgrijselijke Villa Stokkum selecteerde, waarbij architect Eric Wamelink de Villa Savoye van Le Corbusier (1929) heeft geplakt aan een ander beroemd bouwwerk, het huis van de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte (1938) op Capri.

Dat het om armzalige verkleiningen van meesterwerken gaat, is niet zo erg. Maar hoe is het mogelijk dat in het begin van de eenentwintigste eeuw, de tijd van computers en virtuele werkelijkheid, een architect vormen ontwerpt die dateren uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw en daarvoor wordt beloond met opname in het Jaarboek 2000-2001?

Anne Hoogewoning, Roemer van Toorn, Piet Vollaard, Arthur Wortmann (red.): Architectuur in Nederland. Jaarboek 2000-01.

NAi Uitgevers, 166 blz. ƒ85,–