De zelfoverschatting van de geallieerden

Het Battle of Britain-museum in Londen is meer een monument van Britse onverzettelijkheid dan een historiografisch correcte weergave van de reeks luchtgevechten in de zomer van 1940. De Royal Air Force won die gevechtsronde van de Duitse Luftwaffe, maar dat willen ze ook wel weten.

Des te opmerkelijker is het dat bij de museumkassa een boekje ligt dat door zijn ontnuchterende inhoud vloekt met zoveel patriottisme. The Battle van Richard Overy, Brits hoogleraar moderne geschiedenis, brengt de meer dan zestig jaar geëtaleerde overwinningsroes terug tot zijn feitelijke militaire merites. En die zijn een stuk bescheidener.

De Slag om Engeland werd, getuige Winston Churchills dramatische kenschets van de Battle of Britain `Never in the field of human conflict was so much owed by so many to so few' gewonnen door een numeriek zwakke RAF. Daardoor moesten de Duitsers afzien van invasieplannen. Ook wordt algemeen aangenomen dat de Britten de Duitsers tot luchtaanvallen op Londen wisten te bewegen door Berlijn te bombarderen. Hierdoor leidden de Britten de aandacht af van de kwetsbare vliegvelden waarop hun Hurricanes en Spitfires stonden opgesteld. En dat zou net op tijd zijn geweest.

Overy, auteur van onder andere de verzameling scherpe essays Why the Allies won, ontmaskert de mythen of plaatst op zijn minst kanttekeningen bij de conventional wisdom. Zo staat allerminst vast dat Hitler van plan was om Fall Seelöwe, de invasie van de Britse eilanden, door te zetten, omdat dit een zeer complexe militaire operatie was. Zijn generaals, zoveel was al bekend, hadden er in ieder geval geen zin in. De Führer zelf stelde al op 31 juli ruim twee weken vóór het begin van de Slag tijdens een conferentie met de legertop een massale aanval op de Sovjet-Unie voor. Een capitulatie van Engeland was blijkbaar geen conditio sine qua non voor de strategische eindbestemming, de verovering van Lebensraum in het oosten. Engeland `schaak' zetten was daarvoor voorlopig voldoende. Toen Hitler Seelöwe half september afgelastte, zette de Duitse luchtmacht onverminderd de aanvallen voort. Dat betekent in ieder geval dat van de Duitse luchtaanvallen resultaat werd verwacht: een invasie werd niet nodig geacht.

Gek gemaakt

En zo few, vervolgt Overy, waren er in vergelijking met de tegenstander helemaal niet. Goed, in totaal waren er wel meer Duitse vliegtuigen die op één moment Groot-Brittannië aanvielen, zegt Overy. Maar de honderden Stukas werden net als de tweemotorige Messerschmitt-jagers teruggetrokken omdat ze veel te kwetsbaar waren. En de hele luchtvloot die in Noorwegen stond opgesteld, hield het na een paar kostbare missies ook voor gezien. De grote afstand maakte een jagerescorte onmogelijk. De cijfers spreken wat dat betreft voor zichzelf. De RAF had eind juli bijna 1400 piloten voor de Hurricanes en Spitfires en begin november bijna 1800. Van hun concurrenten op de Messerschmitt Me-109 waren er op die tijdstippen respectievelijk ongeveer 900 en 700. Aan jagers was geen gebrek.

Dat de Luftwaffe de aanvallen van de vliegvelden naar de Britse hoofdstad verlegde, heeft met dezelfde bijziendheid te maken, als waarmee de Britten na de oorlog hun eigen schrielheid benadrukten. De Duitsers waren gek gemaakt door hun eigen lyrische berichten van de inlichtingendiensten over de Britse verliezen. Ze dachten dat er nauwelijks meer een Britse jager de lucht in kon Londen was gewoon het volgende doel op de lijst.

Een leuke observatie is ook dat de Britten helemaal niet zo eenstemmig standvastig waren. Het besluit van Churchill om door te vechten ontmoette in lagere klassen bijvoorbeeld weinig animo. De Britse binnenlandse veiligheidsdienst rapporteerde in de zomer van 1940 dat in de arbeiderskroegen de mening viel te beluisteren dat de werkende klasse onder Hitler misschien wel beter af zou zijn: `Hij gaat alleen maar achter de bazen aan.' Toen de Slag eenmaal was begonnen, ebden de dissonante geluiden weg.

Morele uitholling en defaitisme worden algemeen gezien als een van de belangrijkste oorzaken van de uitkomst van een andere slag: de Val van Frankrijk in mei en juni 1940. Dat en militaire inferioriteit maakten dat Frankrijk in zes weken door de knieën ging. Maar ook aan deze `feiten', vooral gestaafd door Fall of the Third Republic van William Shirer en To Loose a Battle van Alistair Horne, wordt nu getornd. En met plausibele argumenten.

De Amerikaanse historicus Ernest May stelt in Strange Victory dat de zware Franse verliezen gedurende de campagne 124.000 doden en 200.000 gewonden een slecht moreel van de troepen weerspreekt. Defaitisme? Bij Sedan, de plaats waar Duitsers door zwakke Franse linies heenbraken, ging een dorp zeventien keer in andere handen over. Dat strookt niet met de algemene notie dat Franse soldaten bij het zien van een Duitse tank op de loop gingen.

Zoiets geldt ook voor de geestkracht van de Franse bevolking. May geeft toe dat die aanvankelijk te wensen over liet. Maar toen Hitler de Westerse politieke leiders keer op keer ringeloorde, eiste de bevolking actie: als militairen de bioscoop inkwamen stonden veel mensen op om te klappen. Zelfs in Duitsland, merkt May op, was men niet zo enthousiast jegens geüniformeerden.

En de militaire superioriteit van de Duitsers? De Fransen en de Britten hadden samen meer manschappen en meer zwaar materieel. De Franse tanks waren zelfs beter dan de Panzer. Een tankslag op 15 mei bij het Belgische Hannut tussen twee Franse gemechaniseerde divisies en twee Duitse pantserdivisies kostte de Duitsers 160 tanks en de Fransen 105 tanks. Het beroerde was wel dat de rest van de Duitse tankeenheden toen al vanuit de Ardennen achter de Frans-Britse linies naar de Franse kanaalkust spurtten.

Waarom behaalden de Duitsers dan toch hun `vreemde overwinning'? Het was, zegt May, juist geallieerde zelfóverschatting in plaats van gedeprimeerdheid, die bijdroeg aan de snelle nederlaag. De Franse en Britse generaals hadden, kijkend naar de verdeling van de vlaggetjes op hun stafkaarten, niet de geringste twijfel over de uitkomst van de komende slag. De geallieerden konden niet anders dan winnen wanneer de Duitsers door België en niet door de Ardennen naar Parijs zouden proberen op te trekken.

Nu wás het Duitse plan om de beste Franse en Britse eenheden België binnen te lokken om vervolgens met een Sichelschnitt, een sikkelhouw, met duizenden tanks hun bevoorradingsroutes tot aan de Kanaalkust af te snijden, ook wel slim. Maar ook toen de Duitse opmars nog tot staan kon worden gebracht, weigerden de geallieerde opperbevelhebbers de mogelijkheid open te houden dat de Duitsers iets anders zouden doen dan waarvoor ze hadden gerepeteerd.

Bumper aan bumper

Terwijl Duitse colonnes in files met een totale lengte van duizend kilometer bumper aan bumper door de zwak verdedigde Ardennen kropen, vloog af en toe een Frans verkenningsvliegtuig over. De Duitse soldaten speurden vanaf hun stapvoets rijdende voertuigen de strakblauwe lucht af naar geallieerde bommenwerpers. Een paar goed gemikte bommen hadden voor weken vertraging kunnen zorgen. Maar vier dagen lang, tot de doorbraak bij Sedan een feit was, bleef de lucht leeg. De geallieerde bevelhebbers schonken geen aandacht aan de verkenningsfoto's: de Duitse hoofdaanval zou immers door het midden van België komen. Dat wist iedereen.

Mays stellingen zijn lastig te ontkennen. De feiten waarop ze berusten, zoals de dodencijfers en de verhoudingen in tanks en vliegtuigen, zijn eenvoudig na te gaan. Wanneer May zich echter op het hypothetische vlak begeeft, wordt zijn argumentatie een stuk dunner. Zo beweert hij dat als de Fransen en Britten tijdens de Duitse veldtocht in Polen in september 1939 een offensief tegen het Ruhrgebied waren begonnen, de strijd, ja zelfs de oorlog, in het voordeel van de geallieerden zou zijn beslist. Zou het? Een succesvolle verdediging, waartoe de Franse en Britse strijdkrachten in Frankrijk wel degelijk in staat leken, is toch heel iets anders dan een offensief op andermans grondgebied. Daarin waren alleen Duitse strijdkrachten goed. Tenzij er natuurlijk een zee tussen lag.

Ernest R. May: Strange Victory. Hitler's Conquest of France. I.B. Tauris, 594 blz. ƒ84,–

Richard Overy: The Battle. The myth and the reality. Penguin, 177 blz. ƒ25,95 (pbk)