De wereld is genadeloos

Misschien is het overweldigende oeuvre van Jheronimus Bosch nog het best te doorgronden wanneer je het opvat als een drama van het menselijk bewustzijn. Gelatenheid is troef.

Dat iedere tijd in de schilder Jheronimus Bosch (?1450-1516) een tijdgenoot herkent hoeft niemand te verbazen. In het kleine bewaard gebleven oeuvre van de late Middeleeuwer wordt pijnlijk zichtbaar wat van alle tijden is: de angst dat het leven van binnen volkomen hol blijkt te zijn, het besef dat alles wanhopig tijdelijk is, de wetenschap dat ons verlangen naar de ongeremde roes gedrochten van ons maakt. De naam van de schilder alleen al is een trefwoord geworden; waar Kafka onmiddellijk een wereld oproept waarin het individu door onbekende maatschappelijke krachten gemangeld wordt, daar staat de naam Jeroen Bosch garant voor de hel op aarde, een wereld als een gapend zwart gat, bevolkt door groteske figuren, dierlijke mensen en menselijke dieren, een eeuwigdurend visioen van verdoemenis door eigen schuld. Want hoe christelijk Bosch in werkelijkheid ook geweest is, hoe traditioneel moralistisch zijn opvattingen uiteindelijk ook waren, wat hij heeft nagelaten zijn beelden van een universele ontreddering. Dat de wereld die Bosch schildert behalve gruwelijk ook fascinerend is in zijn overweldigende verscheidenheid, en delirisch in zijn intensiteit, maakt het alleen maar moeilijker je ervan los te maken.

Dat een mens het wereldse dient te ontstijgen om aan de hel te ontsnappen spreekt duidelijk genoeg uit de achttien aan Bosch toegeschreven panelen die vanaf morgen te zien zijn in Museum Boijmans Van Beuningen. Onderling zulke verschillende schilderijen als `De marskramer', `Het narrenschip', `Dood van een vrek' en `Het laatste oordeel' laten de wereld zien als een onmogelijke plaats voor een mens. Of Bosch nu allegorisch is of realistisch, beheerst of uitzinnig, ongenaakbaar tragisch of bijtend satirisch, het raamwerk is steeds opnieuw de traditioneel burgerlijk-christelijke moraal van zijn tijd, die gemakkelijk in een handvol slagzinnen en clichés valt samen te vatten: overdaad schaadt, de weg van de zonde lijdt naar de hel, in de wereld dreigt het kwaad overal, het paradijs van de vleselijke lusten blijkt een bodemloze beerput, Jezus is voor de zondige mens aan het kruis gestorven. Enzovoort. Maar het genie van Bosch schuilt daarin, dat hij steeds weer te ver gaat, dat zijn werk als het ware telkens door het traditioneel christelijke raamwerk heen breekt. Hij is in alles extreem.

Die neiging van Bosch om telkens een stap verder te gaan dan de traditie voorschrijft, of twee stappen, of drie, heeft voor veel opwindende verwarring gezorgd. Is het oeuvre van deze raadselachtige kunstenaar – er is vrijwel niets over zijn leven en opvattingen bekend – eigenlijk niet een geniale ondermijning van het christelijke wereldbeeld? Niet toevallig staken juist in de jaren zestig allerlei theorieën de kop op, die van Bosch een geheime ketter wilden maken. Hij zou zich bij een religieuze randgroep hebben aangesloten en onder invloed van verdovende middelen het burgerlijke christendom bestookt hebben met orgiastische visioenen van vrije liefde en de menselijke lust als de hoogste waarheid. Al die wonderlijke figuren op zijn panelen, de fantasmagorische dieren en planten, die vreemde rituelen en die onbegrijpelijke machinerieën, te gek man. Bosch was een revolutionair kunstenaar en die keren zich per definitie tegen de maatschappelijke orde – dus hij moest wel een stiekeme handlanger van de duivel zijn geweest.

Die visie komt nu belachelijk over. Niet alleen valt een ketterse boodschap in de schilderijen van Bosch op geen enkele manieren te rijmen met de weinige feiten die wel over hem bekend zijn – hij kreeg in 's Hertogenbosch na zijn dood een keurig verzorgde uitvaart van De Lieve-Vrouwe-Broederschap, een religieus genootschap waar hij zijn hele werkende leven bij aangesloten is geweest. Als je langs de schilderijen op de tentoonstelling in Rotterdam loopt, zie je meteen dat er bij Bosch geen sprake is van een subversieve oproep tot vrijzinnige lustbeleving.

De wereld volgens Bosch is genadeloos. Zijn Jezus (`Ecce homo', dat overigens niet meer aan Bosch wordt toegeschreven) wordt bespot door haatdragend volk, de ene kop nog gemener dan de andere, de uitgemergelde gierigaard (`Dood van een vrek') volhardt in zijn benepenheid terwijl de Dood zijn hoofd al om de deur van zijn slaapkamer steekt, en de monden van de dwazen op `Het narrenschip' vallen open van stompzinnigheid. De natuur zelf is een even aantrekkelijke als gevaarlijke kracht, de landschappen ogenschijnlijk schitterend, maar zwanger van onheil. Uit kristalhelder water kruipen mismaakte creaturen, achter iedere boom kan elk moment een klein monster tevoorschijn komen. De natuurlijke orde is slechts uiterlijk een orde. Daarachter krioelt en broeit het. Op het paneel `Johannes op Patmos' aanschouwt de auteur van de `Apocalyps' een paradijselijk visioen van Maria met het kindeke Jezus, maar naast hem houdt zich ongezien een bizar monster op, met het hoofd van een zorgelijke man met bril, en voor de rest een beetje reptiel, een beetje vogel. Schoonheid wordt bedreigd door mismaaktheid, rust door kakofonie, licht door inktzwarte duisternis en schroeiend vuur. Alles in deze wereld dreigt ieder moment op zijn kop te worden gezet.

Dat wereldbeeld is tijdloos. Iedereen die om zich heen kijkt ziet de wereld van Jheronimus Bosch, daar hoef je geen stugge moralist voor te zijn; de ijdelheid, het zelfbedrog, de botte volharding in dwaasheid, de deinende massa's en lonkende geilheid. Maar Bosch is geen enkelvoudig kunstenaar, geen platte moralist of honende nihilist, die de wereld aan een stuk door zijn eigen stupiditeit voor de voeten werpt. Zijn visioenen van verwording worden niet werkelijk onmenselijk, zijn eigen blik is verslingerd aan de helse taferelen die hij verbeeldt. Daardoor wordt alles gevaarlijk dubbelzinnig.

Zijn zondaren maken meestal een wonderlijk onaangedane indruk. Ze gaan helemaal op in hun dwaze praktijken, geen moment lijken ze zich bewust van hun eigen groteskheid. Dat geeft ze iets aandoenlijks. De kleine monsters die de heilige Antonius (`Temptatie van Sint-Antonius') in verzoeking proberen te brengen zijn lachwekkend door hun absurde vorm, maar er gaat weinig dreigends van uit. Ze doen denken aan stripfiguren, komisch in hun overduidelijke eigenwaan, ongevaarlijk door hun onbeduidendheid. Bosch laat vaak verschrikkelijke taferelen zien, en toch zijn ze zelden beklemmend. De menselijke figuren die in zijn voorstellingen van de hel de ergste vernederingen en martelingen moeten ondergaan, lijken zelf niet te beseffen hoe erg het met hen gesteld is. Gelatenheid is troef. Ze steken ook geen waarschuwende of beschuldigende vinger uit naar de toeschouwer. Ze weten helemaal niet dat ze bekeken worden. In hun zondigheid zijn ze ziende blind – tot het bittere einde. Lijden doen ze eigenlijk alleen lichamelijk. Ze missen de pijnlijk verworven zelfinzichten van de zondaren in de hel van Dante, ze lijken zich niet bewust van hun eigen mismaaktheid. Het is het oog van de schilder dat nietsontziend is, dat de wereld in een onthutsende ontluistering toont. Maar de klakkeloze overgave van al die zondaars, de fantastische vormen die hun lusten en wanen aannemen, maken duidelijk hoe kleurrijk en verleidelijk de wereld kan zijn, wat voor een magnetische aantrekkingskracht de roes kan hebben. Bosch is een meester van het soort humor die in het Engels deadpan wordt genoemd; hoe absurd ook, ze blijft ook op een sublieme manier onaangedaan.

Misschien is dit overweldigende oeuvre nog het best te doorgronden wanneer je het opvat als een drama van het menselijk bewustzijn. Er is niemand die de wereld niet beschouwt als een plaats vol verrukkelijke verleidingen die je tegelijk fataal kunnen worden. Hemel en hel zijn uiterst rekbare begrippen die ontelbare vormen kunnen aannemen, maar iedereen heeft er een persoonlijk besef van. Het ene moment bevind je je in staat van het opperste genot, het volgende ben je in een geestelijk gruwelkabinet beland. Er is ook niemand die zichzelf in laatste instantie niet als buitenstaander beschouwt, niemand ook die zijn verhouding tot de wereld buiten hem niet als uiterst moeizaam en onzeker beschouwt.

De enige heiligen die Bosch schilderde zijn kluizenaars: Sint-Antonius, Johannes de Doper, de Heilige Christophorus, de heilige Hieronymus (behalve de laatste allemaal te zien in Rotterdam). Voor de schilder verbeeldden ze een ideaal. Deze verwilderde mannen bevinden zich in de wereld, maar ze staan er ook los van, op een bewonderenswaardige manier. Ze weerstaan de verleidingen, bieden het kwaad en de zonde het hoofd, blijven onaangedaan temidden van verschrikkingen. Dit zijn de schilderijen die een weldadige verstildheid uitstralen, anders dan de chaotische hellevisioenen en gevaarlijke lusttuinen. Deze heiligen gaan onverstoorbaar hun weg naar de hemel.

Die hemel krijg je, anders dan de hel, niet te zien op de schilderijen van Jheronimus Bosch. Vast en zeker omdat de hel een herkenbaar aards fenomeen is en de hemel in zijn opvatting bij uitstek onaards is, zelfs onstoffelijk. Op een van de Visioenen uit het hiernamaals zien we hoe zuivere zielen door engelen naar het paradijs gebracht worden: deze naakte, opgestane zielen worden boven de wolken naar een soort tunnel gevoerd. Aan het einde ervan straalt een hemels licht, waartegen een piepklein schimmig figuurtje afsteekt: een gestorvene die op het punt staat het paradijs te betreden. Zo te zien bestaat dat enkel uit licht.

De scène heeft veel weg van een science-fictionfilm over mensen die met buitenaardse wezens in contact komen, en misschien moet je dit ontroerende beeld van de overstap naar een andere dimensie ook zo opvatten; als een uiting van een intens verlangen om aan de wereld te ontstijgen, het verterende verlangen om verlost te worden. Dat Bosch het verlangen naar het zuivere licht oneindig hoger schatte dan het verlangen naar de zuivere lust is evident; dat hij de aantrekkingskracht van beide verlangens kon verbeelden in visionaire schilderijen maakt zijn werk uniek.

De makers van de tentoonstelling in Rotterdam leggen wat Bosch betreft een aangename tweeslachtigheid aan de dag. Enerzijds proberen ze te benadrukken dat Bosch toch echt wel een kind van zijn tijd was, wiens werk de sporen draagt van het religieuze en kunstzinnige leven in het Den Bosch van de late Middeleeuwen. Hij was een kunstenaar die in een atelier werkte, hij had inspiratiebronnen en al heel snel navolgers. Vele motieven op zijn excentrieke panelen zijn te herleiden naar contemporaine afbeeldingen op voorwerpen en in boeken.

Ook zijn thematiek van aardse zondeval en hemelse verlossing was orthodox. En hij was ook al gauw populair en veelgevraagd. Tegelijk wil de tentoonstelling laten zien dat Bosch ook toch echt wel een kind van onze tijd is; in een voorvertrek is een groot aantal werken van hedendaagse kunstenaars te zien - onder wie Bill Viola, William Kentridge en de onvermijdelijke Pipilotti Rist (,,ook ik heb soms een depressieve kant'') - die volgens de makers de geest van Bosch ademen. Alleen dat eerste aspect van de tentoonstelling is eigenlijk verrassend; dat veel van de uitzinnige beeldtaal van Bosch in zijn tijd min of meer gemeengoed was, zij het in een minder extreme vorm, dwingt je om beter te kijken waar en hoe de schilder zich van zijn tijdgenoten onderscheidt.

Dat de hedendaagse kunst verwant is aan Bosch, ook de meest abstracte, is al bijna een cliché. Bosch mag gelden als de schutspatroon van alle kunstenaars. Het universum dat hij op zijn panelen verbeeldt is nog altijd extreem eigenzinnig en tegelijk algemeen invoelbaar. Hij staat los van de wereld en heeft die tegelijk als geen ander doorgrond. Zijn visioenen van helse taferelen en hemelse zuiverheid dragen alle menselijke tegenstrijdigheden in zich die alleen grote kunst met elkaar kan verenigen.

Jheronimus Bosch. Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam. 1/9 tot 11/11. di t/m zo, 9-18u. De catalogus bevat alle schilderijen en tekeningen van Jheronimus Bosch, prijs f 59,50; www.boschuniverse.com