De recordhouder

Gerrit Zalm is sinds deze week de langst zittende minister van Financiën die Nederland na de Tweede Wereldoorlog heeft gehad. Zo'n mijlpaal is op zichzelf geen prestatie: wie blijft zitten en niet wordt weggestuurd, wordt vroeg of laat vanzelf recordhouder. Dit kabinet telt bovendien bewindslieden met een langere staat van dienst als dienaar van de kroon, zoals premier Kok en minister Pronk. Maar het is een feit dat ministers van Financiën het zelden zo lang uithouden. Het is om te beginnen een uitputtende functie, met een intensieve internationale, vooral Europese agenda. De hoofdlijnen van het budgettaire en fiscale beleid worden tegenwoordig uitgezet in de groep van ministers van Financiën van de Eurolanden.

Binnen het kabinet vervult de minister van Financiën een lastige functie. De grap van Zalm dat hij bezoekende collega's op de lege schatkist naast zijn werkkamer wees, bevatte een boodschap: ministers van Financiën moeten op de centen passen. Daarmee gaan ze in tegen hun collega's en tegen parlementariërs die van mening zijn dat de taak van de politiek is om zoveel mogelijk doelgroepen tevreden te stellen door geld uit te geven.

Het antwoord dat Zalm hierop heeft gevonden is zijn `Zalm-norm', het begrotingsbeleid van de twee paarse kabinetten. Door de omvang van de uitgaven van de collectieve sector - rijksbegroting, gezondheidszorg en sociale zekerheid - aan het begin van de kabinetsperiode op basis van een voorzichtige raming van de economische groei vast te stellen, en deze los te maken van de schommelingen aan de inkomstenkant van de begroting, heeft Zalm zichzelf en zijn collega's een enorme dienst bewezen. Het chronische gesteggel over mee- en tegenvallers, de tussentijdse aanpassingen en de hijgerige bezuinigingen op de uitgaven, met alle politieke ruzies van dien, behoorden onder Paars I en II tot het verleden.

Los van deze innovatieve systematiek heeft Zalm conjunctureel geluk gehad. Hij heeft op een geweldige manier de economische wind in de rug gehad. Een lange, aaneengesloten periode van gunstige economische ontwikkeling betekent minder sociale uitkeringen en hogere belastingopbrengsten. Daardoor kon dit kabinet het eerste begrotingsoverschot sinds 1971 boeken en loopt de staatsschuld in hoog tempo terug, vermoedelijk tot minder dan 50 procent van de nationale economie in 2002. Zalm laat een gezonde staatshuishouding achter voor zijn opvolger en alleen al in dit opzicht heeft hij zijn naoorlogse recordperiode op het ministerie van Financiën uitstekend benut.

Binnen de Europese Unie speelt zich een voorzichtig debat af over de vraag of de begrotingsdiscipline, zoals die is afgesproken op de Europese top in Amsterdam in 1997, aan herziening toe is. Hans Eichel en Laurent Fabius, Zalms Duitse en Franse collega's, hebben de afgelopen weken gesuggereerd dat het Stabiliteitspact, waarin op straffe van sancties een begrotingstekort van maximaal 3 procent is vastgelegd, in tijden van economische teruggang eigenlijk ongelukkig is. Bij een oplopend tekort zou dan immers moeten worden bezuinigd, terwijl de economie om stimulering vraagt.

Hiervoor in de plaats zou een uitgavennorm moeten komen, want uitgaven kunnen ministers van Financiën vaststellen, terwijl ze aan conjuncturele schommelingen in de inkomsten niet direct iets kunnen doen. In een periode van economische teruggang zouden oplopende tekorten moeten worden geaccepteerd.

Het ballonnetje werd onmiddellijk doorgeprikt door Eurocommissaris Solbes en de overige ministers van Financiën. Geen gemorrel aan de rigide tekortnorm, want dat zou landen met een wat laksere budgettaire traditie maar op ideeën brengen. Bovendien: dan hadden landen hun tekorten maar moeten verminderen in de tijd dat het economisch voorspoedig ging.

In feite stelden Eichel en Fabius voor een variant van de Zalmnorm op Europees niveau toe te passen. Zoals Zalm herhaaldelijk heeft uitgelegd: het beleid wordt hierdoor minder afhankelijk van mee- of tegenvallende economische ontwikkelingen. Er is grotere politieke zekerheid, aan de uitgaven wordt niet getornd, en de `economische stabilisatoren' werken optimaal.