De pioniers van West-Afrika

Libanezen zijn de economische motor van West-Afrika. De migranten hebben er fabrieken, importbedrijven, restaurants en bouwbedrijven. In sommige Afrikaanse landen is de helft van de grote bedrijven in Libanese handen.

Hassan Haidous verlangt niet vaak terug naar Libanon. ,,Oorlog, altijd maar oorlog'', zegt de Libanese zakenman. Haidous schuift de kassalade dicht en zakt achterover in zijn luie stoel. Al twintig jaar heeft hij een stoffenhandel in de Gambiaanse hoofdstad Banjul, in de modderige Liberation Street bij de haven. Zijn broer, met dezelfde dikke buik en dezelfde wantrouwende blik, staat in een andere stoffenzaak, een paar honderd meter verderop. ,,Bijna mijn hele familie woont in Gambia'', zegt Haidous.

Haidous (52) is een van de vele Libanese zakenlieden in West-Afrika. Van Gambia tot Kameroen en van Mali tot Nigeria, overal kom je ze tegen. Wat Grieken en Indiërs zijn in Oost-Afrika, zijn de Libanezen in West-Afrika. In bijna alle bedrijfstakken zijn ze prominent aanwezig. In Ivoorkust is 20 procent van de groothandelsbedrijven in handen van Libanezen, van de industriële bedrijven is zelfs 50 procent van hen. Andere Libanezen hebben een restaurant of een hotel, of ze importeren producten als benzine, auto's en speelgoed.

,,Gambia is in Afrika de beste plek voor importbedrijven'', zegt Haidous, terwijl hij zijn grijze snor in model draait. Omdat Gambia lagere importtarieven heft dan de omringende landen, komen veel buitenlanders er inkopen doen. De koopwaar wordt vervolgens in grote hoeveelheden de grens over gesmokkeld. Haidous verkoopt vooral fel gekleurde batikstoffen, die overal in Afrika zo populair zijn. De zaken gaan uitstekend, zegt hij. ,,Gambia is de supermarkt van Afrika. Als je rijk wilt worden, moet je hier zijn.''

Libanezen zijn al eeuwenlang een volk van ondernemers en reizigers. In de oudheid, toen de inwoners Feniciërs werden genoemd, waren de havensteden Tyrus en Sidon belangrijke handelsposten in het Middellandse Zeegebied. Libanon en het buurland Syrië waren producenten van zijde, wol, zeep, tabak en katoen. Libanon lag gunstig op de handelsroutes tussen Centraal-Azië en Europa.

De emigratie uit Libanon kwam op gang in het midden van de negentiende eeuw. Directe oorzaak was de toename van interne conflicten. De Libanese bevolking is sterk verdeeld, talloze verschillende islamitische en christelijke groeperingen leven naast elkaar. Mede door de activiteiten van Europese zendelingen en missionarissen ontaardden de religieuze en sektarische spanningen in geweld. West-Afrika was een belangrijke bestemming omdat het net als Libanon onder grote Franse invloed stond. Zowel moslims als christenen vertrokken.

In Libanon ontstonden talloze emigratiebedrijven. Behalve naar Afrika regelden ze emigratie naarAustralië, de Verenigde Staten en Latijns-Amerika. De emigratie kreeg een nieuwe impuls tijdens de burgeroorlog van 1975 tot 1990. Naar schatting vier miljoen Libanezen leven tegenwoordig in het buitenland, dat is evenveel als het aantal Libanezen in Libanon. De migranten leveren 35 procent van het bruto binnenlands product.

,,Mijn vader was hoofd van de Maronitische kerk in West-Afrika'', zegt George Francis (39), een Libanees uit de Malinese hoofdstad Bamako. Francis woont in een witgeschilderd gebouwencomplex in het centrum van de stad. Zijn vader, die een paar jaar geleden is overleden, had er zijn hoofdkwartier. In de volksmond heet het gebouw de `Mission Libanaise'. Op het dak staat nog steeds een kruis, maar op kerkelijk gebied gebeurt er weinig meer. ,,Ik ben niet zo religieus als mijn vader'', zegt Francis. Francis roept een van de jongetjes die voor hem werkt, met bulderende stem zodat het jongetje verschrikt aan komt rennen. De auto van Francis, een oude Peugeot vol deuken, moet gewassen worden. Hij haalt zijn pistool uit het dashboardkastje en legt het achteloos op tafel, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. In Mali is nauwelijks criminaliteit, maar volgens Francis weet je maar nooit. ,,Mijn vader geloofde in het goede van de mens'', zegt hij. ,,Ik denk daar anders over.''

Francis verdient zijn geld met een bouwbedrijf. In de bouwwereld in West-Afrika zijn relatief veel Libanezen actief. Afrikanen kunnen volgens Francis niet zo goed bouwen. ,,Afrikanen zijn sowieso niet zo slim'', zegt hij met een brede lach. ,,Huizen die ze neerzetten zakken na verloop van tijd vanzelf in elkaar. Een huis dat een Libanees bouwt is gegarandeerd stevig. Ook Afrikanen weten dat. Bijna alle grote gebouwen in Mali zijn neergezet door Libanese bedrijven.''

Libanezen zijn niet erg geliefd in Afrika. Behalve met hun vaak denigrerende behandeling van Afrikanen, heeft dat ook te maken met lokale vooroordelen. Veel Afrikanen hebben een diepgewortelde afkeer van Arabieren, waartoe ze ook de Libanezen rekenen. Arabieren waren immers verantwoordelijk voor de trans-Saharahandel in zwarte slaven. Eeuwenlang gingen ze in de binnenlanden van West-Afrika op jacht naar handelswaar, waarna ze de slaven als vee dwars door de woestijn naar het noorden dreven. Zwarte Afrikanen zijn dat niet vergeten.

De slechte reputatie van de Libanezen is ook een gevolg van hun betrokkenheid bij duistere transacties. Tijdens het regime van de Nigeriaanse dictator Sani Abacha (1993-1998) nam het aantal Libanese zakenlieden in dat land snel toe. Berucht was een Libanese handelaar die in Nigeria tankers vol benzine verkocht. Eigenlijk hoeft Nigeria helemaal geen benzine te importeren, omdat het zelf olie en raffinaderijen heeft. Maar al snel na het aantreden van Abacha liep de productie van de raffinaderijen terug. Later werd duidelijk dat de Libanese handelaar de leiding van de raffinaderijen had omgekocht, zodat ze de productie zouden laten afnemen.

Door de intieme relaties tussen Libanese zakenlieden en Afrikaanse regeringen worden Libanezen niet snel het land uitgezet, ook al is de publieke opinie tegen hen. Libanezen zijn veel te belangrijk voor Afrikaanse regeringen. In tegenstelling tot Westerse bedrijven hebben Libanese zakenlieden geen last van politici en burgerorganisaties die in hun vaderland mensenrechten en moreel zakendoen propageren. Als Westerse bedrijven onder druk van de publieke opinie uit een Afrikaans land vertrekken, stappen Libanezen in het gat.

,,Libanezen zijn pioniers'', zegt de Libanese eigenaar van hotel El Meson in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia. ,,Je vindt ons op plaatsen waar andere zakenlui niet komen.'' Hotel El Meson bestaat al lang. Tijdens de burgeroorlog, die Liberia zeven jaar lang teisterde, was het gesloten. Maar toen in 1996 een vredesakkoord werd getekend waren de Libanezen de eersten die terugkeerden. Het hotel heeft slechts een paar uur per dag stromend water, maar veel keus is er niet. El Meson is het enige redelijke hotel in het centrum.

Bijna alle grote winkels in Monrovia zijn eigendom van Libanezen. Ze doen vooral de import van generatoren en auto-onderdelen. Naar generatoren is veel vraag, omdat het elektriciteitsnet in de oorlog is verwoest en nog steeds niet is hersteld. Liberianen die een generator willen kunnen alleen maar terecht bij Libanezen. Andere winkels verkopen de apparaten niet. ,,Libanezen zorgen ervoor dat er tenminste nog iets functioneert in Liberia'', zegt de hoteleigenaar.

In zekere zin is het vreemd dat Libanezen actief zijn in een land als Liberia, dat nog steeds onrustig is. Libanezen zijn immers de oorlog in hun eigen land ontvlucht. Van de ene oorlog zijn ze verzeild geraakt in een andere oorlog. De hoteleigenaar ziet dat anders. Volgens hem is het in Liberia helemaal niet zo gevaarlijk. ,,Libanezen zijn opgegroeid met oorlog'', zegt hij. ,,Daardoor kunnen wij goed inschatten wanneer het ergens weer veilig is.''

De verschillende Libanese bevolkingsgroepen mengen nauwelijks in Afrika. De sektarische en religieuze verdeeldheid die hun vaderland kenmerkt, bestaat ook in het buitenland. Maronieten, druzen, sji'ieten en soennieten creëren allemaal hun eigen bastion. De band met de familie in Libanon is sterk. Migranten krijgen geregeld videobanden met begrafenissen en huwelijken van familieleden toegestuurd. Ze trouwen bijna altijd met iemand uit hun eigen groep.

Als een Libanees zich ergens vestigt en de zaken gaan goed, dan komen er na verloop van tijd steeds meer familieleden over. Vandaar dat er sterke banden bestaan tussen bepaalde steden in Libanon en bepaalde steden in Afrika. Libanezen die bijvoorbeeld in de stad Gagnoa in Ivoorkust wonen, komen oorspronkelijk bijna allemaal uit Dair Qanun an-Nahr in Libanon. Alleen in Afrikaanse hoofdsteden zijn deze geografische banden minder duidelijk.

Er zijn weinig Libanezen die definitief terugkeren naar hun geboorteland, ook nu de situatie daar weer wat rustiger is. Zakendoen in Afrika is te lucratief om er mee op te houden. De risico's zijn weliswaar groter, maar de winstmarges ook. Zelfs Libanezen die recentelijk de burgeroorlog in Sierra Leone ontvluchtten, vertrokken niet naar huis. De meesten streken neer in de buurlanden. Inmiddels vinden ze het in Sierra Leone al weer veilig genoeg om terug te keren.

,,Mijn familie in Libanon rijdt rond in oude auto's'', zegt Ali Souleymane. ,,Ik heb een glimmende Mercedes.'' Souleymane (32) is een Libanese restauranthouder uit het stadje Nouadhibou in Mauritanië. Toen Souleymane het restaurant een paar jaar geleden opende, liep het bedrijf niet zo goed omdat hij salades probeerde te verkopen. Maar die fout maakt hij nu niet meer. ,,Mauritaniërs zijn van oorsprong veefokkende nomaden'', zegt hij. ,,Ze lusten alleen maar vlees. Groenten en fruit vinden ze voedsel voor schapen.''

Souleymane is geboren in de Libanese stad Qana. In 1982, op 13-jarige leeftijd stuurden zijn ouders hem naar een oom in Afrika. ,,Mijn ouders waren bang dat ik me zou aansluiten bij Hezbollah'', zegt hij. Hezbollah ronselde in die periode strijders voor de guerrilla tegen de Israëlische bezetting van Zuid-Libanon. ,,Als ik in Libanon was gebleven had ik misschien niet meer geleefd'', zegt Souleymane. Drie familieleden kwamen om het leven toen Israël in 1996 Qana bombardeerde.

In het restaurant van Souleymane, genoemd naar de Libanese hoofdstad Beiroet, komen de laatste tijd steeds meer toeristen. Nouadhibou ligt op een druk bereisde trans-Sahararoute, die langs de Atlantische-Oceaankust naar Senegal loopt. Souleymane heeft ontdekt dat Europese toeristen het niet in de gaten hebben als hij ze dubbel zo veel laat betalen als de lokale bevolking. ,,Ik heb inderdaad twee verschillende prijslijsten'', zegt hij na enig aandringen. ,,Ik wil dat mijn winst elk jaar groeit.''