De muze en haar rancune

De Engelse filosoof Roger Scruton heeft een reputatie als conservatief denker en als zodanig spreekt hij ook zijn oordeel uit over het modernisme in de muziek. Alleen door een `ingewikkelde kunstmatige constructie, met gebruik van overheidssubsidie, een zorgvuldig gekoesterde gevestigde orde van insiders, en de pretentieuze commentatoren die men huichelaars zou kunnen noemen en die de kwaliteitspers monopoliseren, kan zoiets als een modernistisch publiek in leven worden geroepen', aldus Scruton.

Het citaat is afkomstig uit een boek dat alle negatieve sentimenten inzake modernistische (lees: voor velen moeilijke moderne) muziek op een rijtje zet. Door Scruton voor dit boek te vragen, toonde samensteller Peter Davison ook zonder reserve hoe hij zelf denkt over modernisme en postmodernisme in de muziek. Modernistische muziek is volgens hem veelal atonaal, bewust vernieuwend, grillig qua vorm, in sterke mate ontstaan vanuit ingenieuze componeersystemen en heeft lak aan het publiek, expressie en normale emoties. Postmodernistische muziek herstelt voor hem tonaliteit en traditionele genres als symfonie en concert. Het hecht aan welluidendheid, toegankelijkheid, overzichtelijke vormen en een expressie die negentiende-eeuws aandoet, al zijn de middelen van later datum. Deze expressie noemen haar liefhebbers graag muziek die is ingefluisterd door de muze, die vanwege de dictatuur van het modernisme zestig jaar lang ondergronds heeft moeten vertoeven.

Hoewel de auteurs genuanceerd willen overkomen lijden allen aan de inmiddels overbekende postmoderne oogkleppen. Moderne muziek, zo vergeten alle auteurs in koor, mag bij eerste kennismaking nog zo exotisch zijn, de kwaliteit ervan maakt dat men die wil begrijpen en in tweede instantie ook soms begrijpt, totdat men in derde instantie ontdekt dat ware kwaliteit zich kenmerkt door blijvende raadselachtigheid. Zoals veel conservatieven lijden ook Davison en de zijnen aan de neiging hun bekrompenheid te willen sanctioneren met wetenschappelijk aandoende betogen inzake natuurwetten en van nature eenkennige muzen. Hoewel de auteurs dierbaar, bijna sentimenteel spreken over de traditie die de modernisten zouden willen ontkennen en de postmodernisten in ere zouden willen herstellen, kennen deze medewerkers de geschiedenis slecht. De modernisten kregen inderdaad veel aandacht en waardering in de vakpers, maar hun conservatievere en vaak mindere tijdgenoten kregen beduidend meer uitvoeringen en meer erkenning bij het grote publiek. Rancune maakt ook dat deze scribenten niet kunnen zien hoeveel `hun componisten' hebben overgenomen van die vreselijke nieuwlichters en hoe betrekkelijk daarmee het onderscheid tussen modern en postmodern is geworden. Het beste weerwoord tegen zoveel onzin is superieure muziek. De beste modernisten verschaffen die, de meest praatgrage postmodernisten moeten die nog schrijven.

Peter Davison (red.):

Reviving the Muse.

Essays on Music after Modernism.

Claridge Press, 274 blz. ƒ49,50