De laatste 10 of 14 dagen van augustus

Het was in de laatste dagen van augustus, toen ik weer eens aan hem moest denken: aan de man die zo gesteld was op de laatste tien of veertien dagen van augustus. Bij Nescio was ik hem ooit eens tegengekomen en sindsdien diende hij zich van tijd tot tijd, maar vooral op warme nazomerdagen, in mijn hoofd aan, met zijn vreemde voorkeur en zijn rare stelligheid. Het klonk als een weloverwogen keuze, bijna als een standpunt, maar wat moest je je er eigenlijk bij voorstellen? In een wisselvallig zeeklimaat kon zich aan het eind van augustus een langdurige hittegolf voordoen, maar voor hetzelfde geld was de herfst dan al lang en breed ingevallen. Mooi was ook de onbegrijpelijke precisie in de toevoeging ,,de laatste tien of veertien dagen van augustus.'' Geen twaalf, geen negen, of dertien of elf, maar ,,tien of veertien''. Zo iemand wist vast waarover hij het had.

Toen ik hem ging zoeken vond ik hem terug ergens achter in het eerste deel van het Verzameld werk van Nescio, tussen de nagelaten verhalen en aanzetten, in `Het Einde', geschreven in december 1937: ,,In eens zegt de man tegenover mij: `Er zijn maar vijf dingen die de moeite waard zijn en ik noem ze op in volgorde van belangrijkheid: Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods. Het belangrijkste heb ik het eerst genoemd.''' De hoofdpersoon verwondert zich even over zoveel stelligheid, maar weet ook wel ,,dat hij maar wat zegt, dat er nog heel wat meer de moeite waard is.'' En vermoedelijk herkent hij er ook veel van zichzelf in. In Nescio's Natuurdagboek bijvoorbeeld gaat het vaak, en met veel liefde, over vrouwen, Amsterdam het vroege voorjaar en de onbegrijpelijkheid Gods – en ook over de laatste tien of veertien dagen van augustus. Bij die post-hondsdagen hoort voor Nescio een gevoel van lichte weemoed, zoals hij meer dan eens opmerkt, de sfeer van einde en afscheid, ,,fin de saison'', stilgevallen zomer – ook al houdt de meteorologische werkelijkheid zich er niet altijd aan. Op 28 juli 1951 is het in zijn dagboek bijvoorbeeld ,,meer eind Augustus dan eind Juli'' en een jaar later, op 16 juli 1952: ,,Geen zon, de lucht vol wolken boven de duinen en wat donkerig, une douce mélancolie, meer eind Augustus.''

`Het Einde' was een voorstudie van het verhaal `Insula Dei'. En de eigenwijze augustusman bleek een voorloper van de in dat verhaal optredende eigenzinnige Flip den Oever. En zo bevond ik mij binnen enkele seconden in de eerste dagen van februari 1942, op de Dappermarkt, in de kou. Het begin van `Insula Dei': ,,Een grauwe, ijzige, dooie dag. Een stijve noordooster, eenige graden vorst, een bedekte lucht en sneeuw op de straten. [...] Een onherbergzame wereld en een havelooze wereld. Kou en armoede.'' Vreemd: hoe snel met een paar woorden een hele wereld zich in je hoofd kan openvouwen. Even vreemd: hoe snel in het verhaal zelf die hele haveloze wereld weer kan verdwijnen. Als de hoofdpersoon, Dikschei, midden in de oorlog in de snijdende kou over de markt loopt en daar na veertig jaar opeens zijn vroegere vriend Flip ziet, is alle kou en armoede in één keer weg: ,,En daar staat in eens het verleden, in eens is het 1900, 1910, 1920.'' Van dit soort scènewisselingen hangt het korte verhaal aan elkaar. Het zijn de bewijsplaatsen bij de vraag waar deze Flip en Dikschei in hun gesprekken omheen draaien: hoe een trieste werkelijkheid, een grauw heden, een groot verdriet te ontvluchten? En daarachter schemert de vraag: is er toch niet ergens een verweer tegen de vergankelijkheid? Flip heeft zijn plaatsen en momenten van geluk op een denkbeeldig eiland ondergebracht en zo buiten de tijd geplaatst. Hij zegt dingen als ,,M'n eiland is een klooster'', ,,Wij hebben de wereld in ons zelf'', ,,En als ik op 't Dapperplein sta, sta ik daar niet zelf''. Dikschei is sceptischer en meer geneigd in het toeval te geloven. In het vierde hoofdstuk zien we hem wikkend en wegend door een hoofd vol herinneringen lopen. Met enkele woorden worden plekken en tijdstippen, en de bijbehorende eeuwigheidservaringen, voor ons geestesoog opgeroepen. We zien iets dat er niet is: een van de kleine wonderen van literatuur.

Dikschei op zijn beurt besluit na al zijn gemijmer 's avonds in de schemering nog eens de straat op te gaan. Vanuit de Linnaeushof steekt hij de Middenweg over om in de sneeuw nog even langs Frankendaal te lopen. De oorlog, de honger, de kou en de vergankelijkheid zijn er even niet. Bij de stille bomen verlangt hij opnieuw naar het voorjaar. ,,En dan doet God weer watti altijd doet, Goddank, iederen dag telkens weer en waardoor ik ten slotte nix heb kunnen worden in de maatschappij. Ik zie iets dat er niet is: het blauwe meer en het onafzienbare veld er bij met gele narcissen, 't water en de narcissen golvend in de wind: `The daffodils', van Wordsworth.'' Het is een ontroerende ontboezeming. Juist in een sfeer van opperst realisme dient zich bij wijze van bevrijding iets uiterst kunstmatigs aan: een gedicht. Een Engels gedicht, uit 1804, een schoolvoorbeeld van romantiek, gebaseerd op een sprookjesachtig gegeven: tienduizenden narcissen, op een eenzame wandeling aangetroffen onder de bomen aan de oever van een meer, licht wiegend en dansend op een lentebries. Met als brave slotoverweging dat sindsdien de herinnering aan dit beeld menig droevig of eenzaam moment heeft opgefleurd.

Triomf van de verbeelding? De poëzie en bloemetjes als middel om een barre werkelijkheid te overleven? Niet helemaal, denk ik. Ook Dikschei weet wel dat achter ieder dichterlijk beeld een of andere werkelijkheid schuilgaat. En dat omgekeerd de werkelijkheid de verbeelding nodig heeft om tot spreken te komen. Het is wel aardig om te weten dat Wordsworth zijn troostrijke zee van narcissen niet heeft verzonnen, maar zelf heeft gezien: in Gowbarrow Park, aan de oever van het Ullswater-meer, tegenover Sandwick. En het is ook wel aardig om te weten dat hij bij het maken van zijn gedicht gebruik maakte van een beschrijving van zijn zus Dorothy, uit haar dagboek, d.d. 15 april 1802. Zij had ze ook gezien. Dankzij haar, en William, en Nescio staan ze tweehonderd jaar later nog steeds te wiegen. Wie er oog voor heeft, en goed kijkt, kan ze zien, vooral in de avondschemering: aan de Middenweg, ter hoogte van Frankendaal, laag onder de bomen. Zelfs, zo is mijn ervaring, in de laatste tien of veertien dagen van augustus.