Büch

In zijn tv-recensie `Smeekmeisjes' (NRC Handelsblad, 21 augustus), schrijft Boudewijn Büch dat hij zich ongerust maakt.

Over het ,,zinledige geklets op de Nederlandse televisie'' en over ,,hóe dom het is en hóe dichtbij dat is''.

,,Een voorlopig hoogtepunt'' van ,,het zinloze geluid op de Nederlandse televisie'' wordt voor hem verwezenlijkt door ,,een meisje dat de antroposofische naam Lidewij draagt''.

Ik begrijp dat allemaal wel. Bijvoorbeeld dat die naam hem antroposofisch voorkomt. Dat is niet alleen doordat hij het verkeerd heeft gespeld.

Dat de domheid voor hem te dichtbij komt is ook voorstelbaar. Niet alleen door de vele fouten en de aard ervan in zijn stukje (zo heeft hij bijvoorbeeld kritiek op ,,Walen, die een onbevattelijk soort Vlaams proberen te praten'', waaruit blijkt dat hij het verschil tussen Walen en Vlamingen niet kent).

In zijn recensie, die, zo moge inmiddels duidelijk zijn, een schoolvoorbeeld is van taalverloedering en gebrek aan kennis, slaat hij als een wilde om zich heen om zoveel mogelijk mensen tegelijkertijd voor dom, onprofessioneel en ongeëmancipeerd uit te maken.

Waarom vertelt niemand hem dat er leven is buiten de wereld van Boudewijn Büch?