Bert Haanstra's verguisde kwaliteiten

Is het 23 oktober echt pas vier jaar geleden dat Bert Haanstra (1916-1997) overleed? Natuurlijk is het waar dat zijn laatste speelfilm, de Carmiggelt-hommage Vroeger kon je lachen, al uit 1983 stamde, en dat zijn werk sindsdien, veelal korte films over mensapen, weinig meer tot de verbeelding sprak. Maar het lijkt allemaal veel langer geleden, dat rijke, over de hele wereld gelauwerde oeuvre van een vakman die wist hoe je met beeld en geluid poëzie tot stand kon brengen, en hoe je daar in Nederland volle bioscoopzalen mee kon trekken. We hebben het over de tijd dat de documentaire zonder meer tot de kunsten behoorde. Erger nog, Haanstra lijkt bijna vergeten. De laatste keer dat ik aan hem moest denken was in juni bij de vertoning van de eindexamenfilms van de Nederlandse Film en Televisie Academie. Ik was zo enthousiast over de documentaire Winterwonderwereld van Remco Packbiers, dat ik het een `Haanstra-deconstructie' noemde. De abstracte rapsodie van beelden van Nederlanders die zich in de decembermaand overgeven aan indoor-entertainment, herinnert in de verte aan Haanstra-films als Alleman (1963) en Zoo (1962). Maar keerde Packbiers werkelijk bewust stijlvormen van Haanstra – en zijn collega's uit de Hollandse documentaireschool – binnenstebuiten, of vond hij gewoon opnieuw het beeldrijm uit, het monteren op muziek, de betovering van een gezicht dat zich amuseert en de absurde aanblik van mensenmassa's?

De ambachtelijke vaardigheid, nee, de kunst van Haanstra, die ook nog eens door de logheid van een 35mm-camera in zijn bewegingsvrijheid belemmerd werd, lijkt niet vanzelfsprekend van de ene op de andere generatie overgedragen te worden. De stijl van Haanstra, maar ook zijn milde humaniteit, zijn speelse schoolmeesterschap en zijn door grote technische kennis veroorzaakte souplesse, zijn verguisde kwaliteiten geworden, ingehaald door de tijdgeest, die bijvoorbeeld voorschrijft dat documentaires `echt' moeten zijn, realistisch, ongepolijst en vooral: niet-moralistisch.

Wie, zoals Haanstra jarenlang deed voor Shell en andere bedrijven, bereid is opdrachtfilms te maken, wordt al helemaal niet serieus meer genomen. Voor een van die opdrachtfilms, Glas (1958), won Haanstra een Oscar, zoals hij de volgende ochtend thuis op de radio hoorde. Het is een wonderlijk vrije film van 12 minuten, die heel ver durft te gaan in het verwringen van de werkelijkheid. De montage van glasblazers met hun bolle wangen, begeleid door muziek van Pim Jacobs, is net zo'n fantasie-element als het ensceneren van het beroemde moment met de brekende flessen op een haperende lopende band.

Datzelfde jaar maakte Haanstra zijn eerste echte fictiefilm, Fanfare, die men zich vooral herinnert door de boertige humor over knoestige boeren in Giethoorn, waar het fanfarekorps in een schisma belandt. Het was niet alleen de geboorte van de naoorlogse Nederlandse filmindustrie, maar ook een visueel doorgecomponeerd kunststukje. Wie het zicht daarop laat belemmeren door afkeer van oer-Nederlandse folklore, mist de essentie.

Tijdens zijn leven was Haanstra niet miskend, althans niet tot de flops van zijn laatste twee speelfilms, Een pak slaag (1979) en Vroeger kon je lachen. Er was een nieuwe generatie, die schamper deed over Haanstra's gebrek aan kosmopolitisme, daarbij over het hoofd ziend dat geen enkele Nederlandse filmer ooit meer zo'n brede internationale waardering heeft gekregen. Mede juist omdat zijn films zo Hollands waren, dat moeten we niet vergeten in deze tijd van mondiale ambities van de vaderlandse filmnijverheid.

De KRO laat de komende vijf weken op vrijdag een lange en een korte film van Haanstra zien. Vanavond: Fanfare (Bert Haanstra, 1958, Nederland) en aansluitend Glas (Bert Haanstra, 1958, Nederland), Ned.1, 23.22-1.03u.