Steentje

De wachtkamer is in frisse kleuren geverfd, de dorpsarts een gebruinde Franse veertiger. Door het open raam valt het ochtendlicht naar binnen. De wind speelt in de gordijnen. Je hoort het vertrouwde geluid van de oceaan: elke golf gooit miljoenen kiezels op het strand; met het aflopende water rollen ze terug naar de diepte.

De jonge toeriste vóór me staat na een paar minuten weer buiten. Ze had al een week last van doofheid, vertelt ze, en wijst op haar linkeroor. Tot haar verbazing heeft de dokter er met een pincet een steentje uitgehaald, dat door de kracht van het water naar binnen moet zijn geslagen. `Bizarre, hein?' Heupwiegend verdwijnt ze uit beeld.

Als ik terug bij de tent haar verhaaltje vertel, luistert mijn vijfjarige dochter aandachtig. In haar ogen welt langzaam een vraag. Het blijft nog lang stil in de vouwstoel. Dan zegt ze: `Wat voor kleur had dat steentje?'