Slapen in een kinderdroom

Sommige mensen krijg je niet meer in een tent. En al helemaal niet in een ordinair hotel, of doodgewone caravan. Logeren doen zij in een vuurtoren, op een vlot, in de woonwagen van Pipo, in een boekenkast, een boomtent of in een fort. Kinderdroom-adressen om te sparen.

Ooit zou ik een vlot bouwen dat bleef drijven. Als achtjarige droomde ik van een reis rond de wereld op een houtvlot, en van een eigen plek waar zo'n bouwsel, eenmaal terug van alle avonturen, zou kunnen liggen. Helaas zonken alle ontwerpen net zo hard als de boomhutten in de fase ervoor uit de bomen vielen, dus van een wereldreis kwam het niet. Maar de droom bleef.

Toen ik las dat er in Brabant kant-en-klare vlotten te huur zijn, wist ik het dus meteen: daar gaan we heen! Op een zondag is van de drie houtvlotten in het natuurgebied de Dintelse Gorzen het onze. Het vlot wordt gehuurd inclusief kano, want over land kom je er niet. ,,Het is het slimste om in de luwte te blijven'', instrueert de kanoman ons licht bezorgd. ,,En stop niet alles in één keer in die boot, als je omslaat is dat zo'n gedoe.''

Braaf doen we de helft van de klaarliggende spullen stoelen, krat met kooktoestel, hangmat, slaapmatten, een `emmer voor noodgevallen' in de kajak en peddelen de Steenbergse Vliet op. Degene met de langste peddel is stuurman. We varen soepeltjes weg. Vooral van de oever áf gaat het soepeltjes. Als we dat in de gaten hebben, is het al bijna te laat: de wind is een storm geworden, en daar recht tegenin varen gaat niet. Met een enorme boog bereiken we uiteindelijk het vlot. Het feit dat we maar de helft van onze bagage mee hebben, wreekt zich nu: het eten staat nog op de kant bij de kanoclub. Strak langs de oever varen we dus terug, en nog strakker weer naar het vlot, waar we de kano voor de zekerheid maar op trekken.

De rest van de avond is bestemd voor het meer hedonistische deel van deze onderneming: we doen niets. We maken al het meegebrachte eten op en drinken alle meegebrachte flessen leeg. Dat is gezellig. En zo'n klein beetje wiebel geeft ook best een tevreden gevoel.

De volgende ochtend hebben we pijn in onze schouders en in onze darmen. Een wc is dringend gewenst, maar een heel eind peddelen weg. Als een razende laden we de Canadees vol alles in één keer lukt eigenlijk best en gaan er vandoor, alleen nog even opgehouden door een schuldgevoel bij het zien van een in de verte afdrijvende kano van de buurjongetjes. Zowaar, we zijn in no time bij het botenhuis. De kanobaas duwt net zijn motorboot in het water. De jongens hebben hem al gebeld.

De houtvlotnacht smaakt naar meer. Zo uit logeren gaan, is toch heel iets anders dan saai ergens een tent opzetten. Op zoek naar meer adressen vind je al snel een hele verzameling. Apart kamperen in een boomtent (een heel mooi ontwerp van Dré Wapenaar), een wigwam, een trekkershut plus, een ingerichte bungalowtent (camp, natuurlijk), of zelfs een plaggenhut, en héél aparte hotels. De mooiste zit in de vuurtoren van Harlingen en is helaas volgeboekt tot oktober 2002. Maar er zijn nog meer. Een kasteel, een theekoepel, landgoed of havezate, een reddingboot, een museum, een boekenkast, of, boerenluxe, een pronkkamer, het restant van het rijke boerenleven in de noordelijke provincies.

Logeren in een fort kan in Fort Asperen, maar omdat logeren daar deze zomer kunst is (kunstenaars richtten de kamers in), is het hele seizoen vol. Maar in Fort Vuren kan het ook.

Daar gaan we heen. We zijn de enigen. Een groep van acht is net weggegaan, horen we. Te bang voor slecht weer. Terwijl je daar helemaal niets van merkt in zo'n klomp met muren van een meter dik. Wij mogen getweeën op een zaaltje voor drie. In een ziekenhuisbed wat wel enige afbreuk doet aan de soldatensfeer. ,,Maar het heette dan ook de apotheek'', vertelt beheerder Ben Spee even later, die ook weet dat het fort nog tot 1974 in gebruik was als munitieopslagplaats. ,,Er heeft altijd een waas van geheimzinnigheid om het fort gehangen. De wildste verhalen deden de ronde. Er zou een geheime gang naar Slot Loevestein zijn, of er zouden atoomwapens in de kelder liggen. Na de oorlog zaten hier NSB'ers opgesloten. Met hun voeten in het water, zegt men natuurlijk.'' In een vreemde stemming gaan we slapen. Ik droom van inundaties, NSB'ers en heldendaden.

En dan ontdekken we nog een kinderdroom: slapen in de woonwagen van Pipo de Clown en Mammaloe. Midden in Delft staat hij, en hij is elke nacht te huur. `Sapperdeflap', staat er in het gastenboek, `zei mijn vriend toen ik mijn blinddoek af deed: wil jij mijn Mammaloe worden?' Er blijkt meer ten huwelijk gevraagd te zijn. En trouwens ook gehuwelijksnacht.

Het is ook heel knus in de woonwagen, die speciaal gemaakt is in Tsjechië, maar in de verste verte niet lijkt op de rommelige bolderkar die Pipo's wagen in onze herinnering was. Het is een luxe hotelkamer, deze circuswagen. Douche, wc, tv, alles zit erin. Maar er staat geen ezeltje Nononono te grazen, en nergens horen we ,,Ossiepossie, mij zijn niet van de bange, mij zijn van de voorzichtige'', of ten minste een ,,Pipoooo, koeien!''.

Enigszins teleurgesteld keren we huiswaarts. Dezelfde dag vraagt een vriend schijnbaar toevallig: ,,Wist jij dat er in Noorwegen vuurtorens zijn waar je in slapen kunt?''

Het wil maar niet uit mijn hoofd. Verzamelaars zijn gek.