Salaris flink omhoog

Nederlandse werkgevers hebben zich de laatste zes jaar hard moeten inspannen om goed personeel binnen te halen. Werknemers zijn kieskeuriger geworden en zijn andere eisen gaan stellen. Een baan moet tegenwoordig meer bieden dan een goed salaris en voldoende carrièremogelijkheden. Werknemers willen ruimte voor hun persoonlijke leven; na de vrouwen ontdekken ook de mannelijke hogeropgeleiden de geneugten van de deeltijdbaan.

Het kan bijna niemand ontgaan dat er in Nederland een nijpend tekort aan leerkrachten is. Zeker aan het begin van het schooljaar verschijnen vrijwel dagelijks berichten over leerlingen van basisscholen die naar huis worden gestuurd omdat er geen juf of meester is en over de problemen die middelbare scholen hebben om docenten te vinden voor minder populaire vakken als Duits of aardrijkskunde.

Waar is dat tekort door ontstaan? Een belangrijke oorzaak is de bezuinigingsdrift van eerdere kabinetten die, net als in de zorg, direct effect hebben gehad op de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van werknemers. De grootste klap kwam in 1985, toen – in nauw overleg met de onderwijsvakbonden – werd besloten dat nieuwkomers in het onderwijs minder zouden gaan verdienen, terwijl het zittende personeel werd ontzien.

Op het ministerie van OCW was men aanvankelijk niet ontevreden met het verminderde animo voor het leraarschap. Gezien de verwachting dat vanaf eind twintigste eeuw het aantal geboorten zou afnemen, zouden er toch minder scholen nodig zijn en was minder instroom van leraren alleen maar gunstig.

In de tweede helft van de jaren negentig bleken de berekeningen van het ministerie radicaal te moeten worden bijgesteld. Niet alleen steeg het aantal geboorten weer, maar door het verkleinen van de klassen in het lager onderwijs bleek er opeens ook veel meer onderwijzend personeel nodig te zijn.

De laatste jaren probeert het ministerie van Onderwijs met man en macht het tij te keren. Afgelopen juni is nog afgesproken dat het onderwijspersoneel een forse extra salarisstijging krijgt. Ook probeert men werknemers in andere sectoren over te laten stappen naar het onderwijs en krijgen oud-leraren de mogelijkheid om met een korte opfriscursus weer voor de klas te gaan staan. Zelfs vutters en gepensioneerden worden gestimuleerd om een aantal uren per week les te geven.