Lijkenschennis uit nieuwsgierigheid

Op 26 juli 1996 ontdekten twee wandelaars aan de oever van de rivier de Columbia in het zuiden van de staat Washington een skelet in de modder. Aanvankelijk werd aan een recente misdaad gedacht. De politie werd dus gewaarschuwd, en die ontdekte in het bekken van het geraamte een stenen speerpunt.

Verder onderzoek onthulde dat het hier om het skelet van een man ging die ongeveer negen millennia geleden geleefd moest hebben. Een voorouder van de Amerikaanse indianen dus? Op grond van die veronderstelling en op grond van de Native American Graves Protection en Repatriation Act van 1990 werd het skelet onder de hoede geplaatst van het US Army Corps of Engineers (de militaire genie) en onttrokken aan verder wetenschappelijk onderzoek.

De indianen hadden er immers bezwaar tegen gemaakt dat de wetenschap zich meester maakte van stoffelijke resten van hun voorouders die gevonden werden, en ze, na onderzoek, in musea tentoonstelde. Volgens de indianen was dit lijkenschennis. Die resten behoorden in overeenstemming met de indiaanse rites (her)begraven te worden. Om aan die wensen tegemoet te komen nam het Congres die wet van 1990 aan.

Maar nu ontstond er in verband met het skelet dat in Washington gevonden was en dat spoedig de Kennewick Man genoemd werd (naar het dichtstbijzijnde plaatsje), nog een complicatie. Vóór opberging in de kelders van de genie had een antropoloog ontdekt dat de man alle kenmerken van het Kaukasische type droeg. Hij zou dus helemaal geen voorouder van de indianen zijn, want die behoren tot het mongoloïde type.

Tot dusver was algemeen aangenomen dat de indianen, oorspronkelijk komende uit Azië, de eerste bewoners van het Amerikaanse vasteland waren (hoewel die theorie niet onbestreden was), maar nu moest met de mogelijkheid rekening gehouden worden dat ze voorafgegaan waren geweest door immigranten uit Europa, want daar komt het Kaukasische type vandaan.

Een heel nieuw veld opende zich dus voor de wetenschap, maar dit bleef haar ontzegd, omdat er geen verder onderzoek naar de Kennewick Man gedaan mocht worden. Tegelijkertijd dreigde een eind gemaakt te worden aan de illusie van de indianen dat zij van de eerste bewoners afstammen, en tevens een eind aan de rechten die zij daaraan menen te kunnen ontlenen. Het bitterste zou wel de ontdekking zijn dat de eerstelingen Europeanen waren geweest, want de voorvaderen van de indianen waren door een latere golf uit Europa verdreven en grotendeels uitgeroeid geweest.

Of daarmee ook de grondslag aan die wet uit 1990 is ontvallen, is nog de vraag. De wet (althans de naam ervan) spreekt niet van indianen, maar van native Americans. Welnu, de Kennewick Man was, hoewel geen indiaan, ook een native American. Maar geen indiaan zijnde zou zijn lijk niet door de indianen opgeëist en volgens hun rites (her)begraven kunnen worden.

Acht wetenschappers van naam hebben nu de rechter om opening van de kelders der genie voor de wetenschap gevraagd, maar de indianen dat wil zeggen: de vijf stammen waarvan de territoria in het dal aan de Columbia liggen zullen zich niet gauw hun illusie laten ontnemen. Een lange gerechtelijke procedure, zoals in de Verenigde Staten gebruikelijk, is dus te verwachten.

Fascinerende vergezichten worden door de ontdekking van de Kennewick Man geopend. Zou de legende van Atlantis, dat verzwolgen rijk dat, volgens Plato, eens tussen Afrika en Amerika zou hebben gelegen, dan toch meer dan een legende zijn geweest? Maar daarmee zou nog niet zijn verklaard hoe die Kaukasiër aan de westkust is terechtgekomen. We praten hier echter over eonen, en daarin kan veel gebeuren.

Zo'n vondst als in de staat Washington gedaan is, kan, behalve juridische, ook politieke implicaties hebben. De politiek heeft er geen belang bij, indianen onnodig tegen zich in het harnas te jagen zeker niet ter wille van een tak van wetenschap die geen direct nut oplevert. In Amerika zijn de indianen echter tot een minderheid ineengeschrompeld, maar in China is het een grote meerderheid die zich in haar illusies aangetast voelt door de ontdekking van mummies met Kaukasische trekken in het noordwesten van het land.

Maar ook morele vragen komen naar boven. Op grond van welk moreel gebod mogen de graven van onze ouders, grootouders, zelfs overgrootouders niet geschonden worden, maar oude graven wel? Waar ligt de grens? Is die ooit vastgesteld? Goed, het is algemeen aanvaard dat terwille van de wetenschap mummies van farao's en inca's losgewikkeld worden, maar moet dit in de schijn van televisiecamera's?

We lachen om de vloek die op het graf van Toetanchamon zou liggen, waarvan de ontdekker lord Carnavon spoedig na de opening ervan in 1923 overleed, maar anderzijds hebben we geleerd eerbied te hebben voor andere culturen. Behoort voorouderverering niet tot sommige culturen? En zijn we er wijzer van geworden nu DNA-onderzoek van stoffelijke resten heeft uitgemaakt dat Naundorf niet Lodewijk XVII, zoon van de geguillotineerde Lodewijk XVI, is, zoals op zijn graf in Delft gebeiteld staat?

Wijzer zijn we door deze ontdekkingen misschien niet geworden, maar onze nieuwsgierigheid wordt er wel door bevredigd ook de mijne, want ik kijk graag naar Discovery Channel, waar we, hoewel vaak op een enigszins geheimdoenerige toon, van zulke vondsten op de hoogte worden gehouden. En wat is het bedrijven van wetenschap anders dan het bevredigen van nieuwsgierigheid?