Knap, sinister verhalenverteller

Als er iets niet voor de hand lag, was het wel de dood van de Spaanse kunstenaar Juan Munoz. Op de top van zijn carrière, 48 jaar oud, is hij schijnbaar gisteren tijdens een vakantie op Ibiza plotseling overleden. Hij was een verhalenverteller, vond hij zelf, maar ook een perfectionistisch kunstenaar, een sprankelende gesprekspartner en een dwarsligger, die weinig ophad met de gemakzucht van menig videomaker. En gemakzucht is wel de laatste eigenschap die men hem als maker van beelden en installaties kan toedichten.

Munoz, wiens figuratieve werk lange tijd in Spanje werd ondergewaardeerd, destilleerde zijn werken uit de werkelijkheid en wist ze, door te spelen met verhoudingen, isolement, materialen, licht, schaduw en mechanische techniek tot surrealistische poëzie te verheffen. Een sierlijk (Spaans) balkonnetje tegen een dichtgeplamuurde muur, een lilliputter in een lege kamer, het in de schijnwerper geplaatste beeld van een souffleur en een reeks bronzen figuranten met het onderlijf van een grote speelbal, die als duikelaars willoos naar alle windrichtingen meewuiven.

,,Mijn werk gaat over een man die in een kamer zit te wachten op niets'', vond hij zelf. Het is waar, elke illusie van Munoz heeft een ondergrond van desillusie, van melancholie en vergeefsheid. En veel (net niet manshoge) figuren liet hij inderdaad doelloos wachten, zoals destijds in het ICA in New York, waar zakenheertjes in een soort hotellobby, onderuitgezakt op banken, elkaar en de leegte via spiegels in de gaten hielden – als kwetsbare dieren in de jungle.

Door hun Aziatische fysionomie, hun geslotenheid en hun grijzige uiterlijk wist de kleurenblinde Munoz het raadsel rond de personages in zijn verhalende ensceneringen flink op te voeren. Dat hij als een regisseur met een knap gevoel voor ruimte en proporties zelfs de kolossale Turbine Hall van de Tate Modern tot een sinistere wereld wist om te toveren, laat zich nog tot 2 februari volgend jaar verifiëren. Deze prestigieuze, Londense opdracht kwam misschien wel voort uit zijn presentatie op de Biennale van Venetie in 1999. Hij zette er een groep metaal-achtige, Chinees aandoende gestalten neer, die als grijnzende toeristen een lege muur in ogenschouw nemen. Een van hen stond verder weg, en alleen de bezoeker die hem letterlijk op de huid zat, ontdekte wat Munoz had uitgespookt: die zonderling stond er waarachtig tegen zichzelf te mompelen, met alle mimiek, geluid en technisch vernuft die daarbij horen.

Dat Munoz ook een aimabele man was, bleek tijdens het installeren van zijn gedurfde, bal spelende beeldengroep bij een psychiatrisch dagverblijf in 's Hertogenbosch een gelukkige keuze van het toenmalige Praktijkburo in Amsterdam. Hij etaleerde er niet zijn eigen prestaties, nee, zijn nieuwsgierigheid ging vooral uit naar de patiënten: ,,En wat zeiden ze? Ze vinden het toch niet het eng?'' De patiënten vonden het goed, maar het was wel even wennen. Ze keken naar de beelden als naar buitenaardse soortgenoten. Een enkeling dacht zichzelf daarin te moeten herkennen.

Munoz, geboren in Madrid, kreeg zijn opleiding aan Britse academies. Dankzij een beurs kon hij in 1982 naar New York, waar hij kennismaakte met beeldhouwers als Richard Serra en Mario Merz. Sindsdien is zijn werk op vele locaties en musea 1991 in het Van Abbemuseum in Eindhoven tentoongesteld. Vorig jaar kreeg hij dan toch eindelijk in Spanje de nationale prijs voor de beeldhouwkunst.