Eerste verkiezingen in herrezen Oost-Timor

Oost-Timor gaat vandaag naar de stembus, twee jaar nadat pro-Indonesische milities het eiland grotendeels verwoestten. De nieuwe staat blijft nog lange tijd afhankelijk van buitenlandse hulp.

Een uur voordat de deuren opengingen – de zon kwam net boven de kim – stonden vanmorgen al honderden Oost-Timorezen in de rij voor de stembureaus in de hoofdstad Dili. Velen hadden zich in hun beste kleren gestoken voor deze `afspraak met de democratie', zoals het overgangsbestuur van de Verenigde Naties (UNTAET) deze eerste verkiezingen in de geschiedenis van het eilanddeel noemt. Alle Oost-Timorezen van 17 jaar en ouder – 425.000 op een bevolking van 738.000 zielen – mochten vandaag hun stem uitbrengen op een van de 16 meedingende partijen en zo een grondwetgevende vergadering van 88 leden samenstellen. Dit wordt de eerste democratische instelling van de staat Oost-Timor, die begin volgend jaar zijn onafhankelijkheid krijgt.

UNTAET schatte vandaag dat meer dan 90 procent van de stemgerechtigden van zijn recht zou gebruikmaken. De sfeer voor de stemlokalen was vanmorgen ontspannen. Wachtende kiezers maakten grapjes met leden van de 1.400 man tellende internationale politiemacht die toeziet op de stembusgang.

Peilingen tijdens de goeddeels vreedzaam verlopen campagne wijzen uit dat het Timorese Front voor Nationale Bevrijding (Fretilin) een absolute meerderheid gaat halen. Deze partij speelde met zijn gewapende arm een hoofdrol in het verzet tegen Indonesië, dat de voormalige Portugese kolonie in 1975 onder de voet liep en een jaar later inlijfde. Dé kandidaat voor de later dit jaar te houden presidentsverkiezingen is Jose Alejandro `Xanana' Gusmão. Hij leidde sinds 1981 de guerrillastrijd tegen Indonesië en werd in 1993 tot twintig jaar veroordeeld. Sinds zijn vrijlating in 1999 heeft hij alle partijbanden verbroken en ijvert hij voor `nationale verzoening' met pro-Indonesische elementen.

Vandaag precies twee jaar geleden mochten de Oost-Timorezen zich in een volksraadpleging onder VN-toezicht uitspreken over hun toekomst. 98 procent van de kiesgerechtigden verscheen en van hen koos bijna 80 procent voor onafhankelijkheid boven een autonome status binnen Indonesië. De uitslag was nog niet bekend of pro-Indonesische milities – opgericht, getraind en uitgerust door Indonesische militairen – maakten Oost-Timor met de grond gelijk. In Dili en elders werd jacht gemaakt op voorstanders van onafhankelijkheid, waarbij enkele honderden doden vielen, onder wie de Nederlandse journalist Sander Thoenes. Winkels, kantoren en woonhuizen werden in brand gestoken. Op het platteland werd een groot deel van de veestapel afgemaakt.

Eind september gaf president Habibie van Indonesië het groene licht voor de komst van een internationale troepenmacht onder Australische leiding (Interfet), die de militiefurie wist te stoppen. De milities trokken zich terug naar het aangrenzende West-Timor en joegen een vijfde van de bevolking mee de grens over. Een maand later erkende het Indonesische Volkscongres de uitslag van het referendum en kwam Oost-Timor onder een overgangsbestuur van de VN, dat het gebied op weg moet helpen naar onafhankelijkheid.

De staat-in-opbouw, die officieel Timor Lorosae gaat heten, moest letterlijk verrijzen uit de as. Een zwerm buitenlandse hulpverleners, ambtenaren en instructeurs – van de VN, de Wereldbank, donorlanden en van particuliere hulporganisaties – streek neer in Dili om het straatarme en door de septemberfurie verschroeide Oost-Timor overeind te helpen en te assisteren bij de opbouw van eigen instellingen: van een leger, een politiemacht en rechtbanken tot een burgerlijke stand, brandweer en douane.

De grens met Indonesië wordt, met het oog op invallen van militie-eenheden vanuit West-Timor, bewaakt door eenheden van het 8.000 man tellende VN-leger. Intussen is het eerste bataljon geformeerd van een toekomstige Oost-Timorese defensiemacht: 650 oud-strijders van Falintil – het vroegere guerrillaleger van het Fretilin – die zijn getraind door Australische en Portugese instructeurs. De VN-macht zal geleidelijk worden gereduceerd, naarmate de militiedreiging afneemt.

De infrastructuur – wegen, kantoorgebouwen en de haven van Dili – is in twee jaar grotendeels hersteld. De meeste Oost-Timorezen hebben weer een dak boven hun hoofd en de economie groeide het afgelopen jaar met 15 procent. Dat hoge cijfer is vooral het gevolg van investeringen in de infrastructuur en de consumptieve uitgaven van de hulpverleners. De groei heeft dan ook het karakter van een luchtbel. Als de fysieke wederopbouw is voltooid en het `expat'-leger huiswaarts keert, dreigt die uiteen te spatten. Oost-Timor, met zijn arme en ongeschoolde bevolking – 50 procent is analfabeet – heeft nog een lange weg te gaan.

Het belangrijkste exportproduct is tot dusverre Dili-koffie, een hoogwaardige arabicavariant. In de Timorzee die het gebied scheidt van Australië, ligt een aardgas- en olieveld. In juli kwam het overgangsbewind, waarin ook Oost-Timorezen zitting hebben, met de regering in Canberra overeen dat de toekomstige gas- en oliebaten voor 90 procent naar Oost-Timor en voor 10 procent naar Australië gaan. Dat levert de nieuwe staat 8,5 miljard dollar op, uitgesmeerd over twintig jaar. De begroting voor 2002 vertoont een tekort van 20 procent, dat gedicht moet worden door donoren. Sarah Cliffe, de vertegenwoordiger van de Wereldbank in Dili, schat dat Oost-Timor nog zeker tien jaar is aangewezen op buitenlandse hulp.