Bevlogen door bloembollen

Een vrouw in het bollenkwekersvak is een witte raaf. Rita van der Zalm legt zich al jaren toe op het kweken van `bijgoed'. Sieruien, bosanemonen en bolletjes voor verwildering, worden steeds populairder. Niet in de laatste plaats dankzij het enthousiasme van Rita van der Zalm en haar lyrische schrijfstijl. Een portret.

In het zaterdagnummer van Trouw staat, eenmaal in de veertien dagen, misschien wel de beste tuinrubriek van Nederland. Onder de wat dubbelzinnige titel `Eigen Erf' vind je geen betoog in het kader van de Groot-Nederlandse gedachte, maar een buitengewoon leesbaar en vaak humoristisch stukje van Rita van der Zalm. Van beroep is zij bollenkweekster, maar gelukkig is zij niet zo'n gedreven monomaan die het tot vervelens toe alleen maar over bloembollen heeft.

Rita van der Zalm schrijft over stokrozen, over triomfen en mislukkingen in eigen en andermans tuin, over haar oude kat en over haar buurman en dat alles zonder in kneuterigheid te vervallen. En over bloembollen. Over bloembollen in potten, in perken, op de vensterbank en in het gras, in de zomer, de lente, in de herfst en in de winter. Een jaar of vijf geleden schreef zij een boekje, `Bloembollen, een liefde voor het leven' dat jammer genoeg al na een paar jaar door de uitgever is verramscht. En dat terwijl het boek het verdiend had om een klassieker te worden. Haar beginzinnen zijn magistraal: ,,Een handelaar die veel tuincentra van verpakte bloembollen voorziet, had mij in het voorjaar gevraagd als gastvrouw op te treden bij een grote klant die tuinpromotiedagen hield. Dat was een klusje naar mijn hand. Al werd ik niet met een limousine, maar met een grote vrachtwagen vol bollen ver het land in gereden door een olijke chauffeur met cowboylaarzen.'' Zulke zinnen ontbreken in het standaardgenre met titels als `Duizend bloembollen in kleur'. Haar proza is niet bedoeld als literair hoogstandje, maar in ieder stukje staat wel een zin die voorgoed blijft hangen. Een aanhef waarop ik jaloers ben is: ,,Kijk, zeggen we met schafttijd tegen onze stageloper, `de Leucojum vernum bloeit, het wordt lente'. De jongen wendt gehoorzaam zijn ogen af van de gevulde speculaas en werpt een blik op de witte klokjes aan de waterkant. Gaaf, zegt-ie en eet verder, want hij is bij ons omdat we het dichtst bij zijn huis wonen en niet omdat hij zo dol is op bijgoed, ofwel bijzondere bolgewassen.''

Rita van der Zalm kweekt bijgoed, een niche-markt binnen de bloembollenwereld die geregeerd wordt door de G3: de kwekers van tulpen, narcissen en hyacinten. Op bijgoed is door de grote jongens altijd neergekeken. Van der Zalm is een buitenbeentje en kweekt krokussen, blauwe druifjes, kievitsbloemen, herfsttijlozen, bosanemonen, sieruien en nog honderd andere onbekende bolgewassen. Eigenlijk is ze twee buitenbeentjes, want een vrouw zie je nog eerder in het eerste van Ajax dan in het bollenvak.

Voor een interview heb ik met Rita van der Zalm afgesproken in het gebouw van de Hobaho, een bloembollenveiling in Lisse, genoemd naar de oprichters Homan, Bader en Hogewoning. Door een misverstand loop ik haar mis, waardoor ik een uur lang de gelegenheid heb om rond te kijken. ,,Overhemden met korte mouw'', schrijf ik in mijn aantekenboekje, en ,,mobiele telefoon aan broekriem''. ,,Receptionistes. Koffiejuffouw. Laptops. Mannenwereld.'' En als ik Rita van der Zalm later op de dag tref in haar huis in Noordwijkerhout, vlak achter de duinen, vraag ik haar of mijn impressies kloppen en hoe het is om als vrouw tussen de mannelijke collega's te opereren. Ze is opmerkelijk mild: ,,Toen ik net begon werd er wel vreemd tegen mij aangekeken, maar zo langzamerhand ben ik wel geaccepteerd. Aanvankelijk zag de tulpen- en hyacintenwereld mij als een gevaar. Nu heb ik er geen last meer van.

Vroeger werkte ik in het bedrijf van mijn man, maar toen die zeventien jaar geleden ziek werd en niet meer kon werken, moest ik de zaak overnemen. Ik ben toen begonnen met het kweken van bijgoed en het verkopen op tuinmarkten. De liefde voor planten zit in mijn genen; mijn grootvader kweekte vaste planten en bijzondere bollen in Noordwijk, en later in Wassenaar. Ook mijn ooms en mijn neven kweekten planten. Mijn vader kweekte vaste planten als floxen en monarda's en verkocht die op de markt.'' En nog altijd staat Rita van der Zalm met een marktkraam op tuinmarkten door heel Nederland. ,,Als kind, zo'n veertig jaar geleden mocht ik helpen op de kwekerij en op de markt. Het was hard werken en jezelf nat laten regenen. Mijn vader was streng en voedde mij spartaans op. Achter de marktkraam mocht ik niet zitten, drinken of eten. Dat was onbeleefd tegenover de klant; die was geen koning, maar keizer. Nog altijd sta ik achter mijn kraam. Als ik zit, voel ik mij schuldig. De markt zou ik nooit willen missen. Je verkoopt er niet alleen, maar je maakt er vrienden. Je wisselt ervaringen uit en je kunt er veel leren.''

Er is wel het een en ander veranderd in die mannenwereld. Van der Zalm: ,,Het man-zijn was vroeger misschien een voordeel, maar nu is het een handicap. De bloembollenkwekers, de handelaren en de commissionairs het zijn allemaal mannen. Het bloembollenvak blijft hetzelfde, maar de wereld verandert. De meeste afnemers zijn vrouwen. Ook in de top van tuincentra, waar veel bollen worden verkocht, kom je nu vrouwen tegen. De kwekende mannen moeten nu leren om de taal van hun afnemers te spreken en dat gaat ze niet gemakkelijk af. Ze kunnen niet in nuances denken. In hun vocabulaire zijn bloemen rood, blauw, paars of geel. Terwijl de klant wil weten wat voor geel. Zwavelgeel, crèmegeel, citroengeel, maanlichtgeel, bananengeel er zijn wel honderd schakeringen van geel. Mannen hebben daar moeite mee. Ze kunnen geen omschrijvingen bedenken als `geel met een oranje blosje'. Blosje is geen mannenwoord.'' Ook de namen van bloembollen zijn steevast door mannen bedacht, zegt Van der Zalm, en vaak is dat geen voordeel. ,,Namen van bollen zijn niet altijd gelukkig gekozen. De tulp `Kees Nelis' mag misschien een goede snijbloem opleveren, met stevige stelen, maar verkopen doet zo'n naam niet. Hiernaast staat een donkerrode gladiool, `Sweet Shadow'. Bij zo'n naam gaat er een wereld voor je open. Ik zie de donkerrode fluwelen gordijnen van mijn oma. Ik ruik de sigarenrook van de verjaardagen en ik hoor de zilveren lepeltjes tegen de borrelglaasjes tinkelen.''

Rita van der Zalm is een vrouw die praat zoals ze schrijft. En schrijft zoals ze praat, vandaar dat haar stukjes zo direct aanspreken. Zij schrijft voor Trouw, De Limburger, Tuinen van Eden en Onze Eigen Tuin. Voor haar kraam is het altijd druk. Voorlichten, en het uit de weg ruimen van misverstanden is haar hobby, zegt ze zelf. ,,Er is zo weinig kennis. De rest van mijn leven is nooit lang genoeg om iedereen uit de droom te helpen. Bloembollen zijn voor de meesten één groot schemergebied. Moeten ze worden opgerooid? Waar moeten ze staan? Kunnen ze in de zon, of in de schaduw? Nat, of droog? Vroeger werden de klanten door Van Tubergen opgevoed. Nu zien ze alleen nog plaatjes.'' Ze betreurt het dat in het bollenvak zelf de bestaande kennis niet wordt geconserveerd. ,,Elke keer als er weer een oude bollenkweker zo'n brein doodgaat, gaat zijn kennis voorgoed verloren. En de klant heeft geld genoeg. Dat is fijn, maar daardoor voelt hij zich niet meer verantwoordelijk voor zijn planten. Als de bollen doodvriezen, dan koopt hij het volgende jaar gewoon weer nieuwe, in plaats van ze in de winter af te dekken.''

Van der Zalm verbaast zich erover dat sommige zomerbloeiers onder de bloembollen volkomen in de vergetelheid kunnen raken. ,,De laatste gebruiker van ixia's en knolbegonia's zit in `huize Avondrood' en heeft vergeten de kennis aan een volgende generatie over te dragen. Mijn droom is het om het ultieme boek over zomerbloeiende bollen te schrijven.'' Met spanning kijken we er naar uit.