`Appendix Z' legt koehandel rond Kyoto bloot

Na de klimaatconferentie in Bonn was er lof voor Jan Pronk, sympathie voor Japan en hoon voor de VS. Pronk redde het Kyoto-protocol op de laatste dag met `Appendix Z'.

De Nederlandse minister van Milieu en voorzitter van de klimaatconferentie van de Verenigde Naties, Jan Pronk, redde vorige maand in Bonn het Kyoto-protocol. Het applaus voor de taaie onderhandelaar duurde eindeloos. Toch bleef bij velen het onbehaaglijke gevoel bestaan dat van de ambities van `Kyoto' niet veel meer over was.

Rekenwerk van organisaties als het Wereld Natuur Fonds en Greenpeace laat zien dat de pessimisten gelijk hebben. De uitgangspunten van het Kyoto-protocol zijn in Bonn niet principieel, maar wel substantieel aangepast. In Japan hadden de deelnemers afgesproken dat de Westerse industrielanden en de voormalige communistische landen hun totale uitstoot van broeikasgassen rond 2010 zouden hebben gereduceerd met ruim 5 procent ten opzichte van het referentiejaar 1990. Ten minste de helft van die vermindering diende te komen uit een reductie binnen de eigen landsgrenzen. De rest kon via maatregelen elders worden `gehaald'. Bijvoorbeeld door de financiering van een milieuvriendelijk project in een ontwikkelingsland of doordat een rijk land zich ontfermde over een oude, energieverslindende Oost-Europese centrale. Ook mochten landen een deel van hun rechten om CO2 uit te stoten verkopen – wie zuinig is kan veel verdienen.

Vanaf het begin is duidelijk geweest dat deze `flexibele mechanismen' de ambities van Kyoto sterk kunnen aantasten. Daarom is het opmerkelijk dat de deelnemende landen in Bonn aan het aanvullende karakter van de flexibele mechanismen een veel ruimere uitleg hebben gegeven. In plaats van te eisen dat in ieder geval 50 procent van de CO2-reductie in eigen land wordt bereikt, is afgesproken dat de binnenlandse inspanning `belangrijk' moet zijn. Zo kan Rusland straks veel geld verdienen aan een levendige emissiehandel. Het land had in 1990 nog een comfortabel hoge CO2-uitstoot. Sindsdien is de communistische economie ingestort, waardoor er veel minder kooldioxide de lucht ingaat.

De pijnlijkste verzwakking van `Kyoto' blijkt te komen van het besluit in Bonn om toe te staan dat de groei van bestaande bossen (referentiejaar 1990) in mindering mag worden gebracht op de CO2-uitstoot in 2010. De zogeheten `sinks' (gebieden die CO2 opnemen, zoals groeiende bossen, verruigende, verlaten akkers of bouwland dat in weiland wordt omgezet) vormden sinds Kyoto een gevoelig onderwerp in het klimaatdebat. In Kyoto werd de mogelijkheid opengehouden om ooit deze ,,toegevoegde en door de mens geïnitieerde activiteiten'' in de CO2-boekhouding mee te tellen. Maar niet vóór 2010, tenzij een partij het eerder wilde.

Welnu: men wilde het eerder, want hier was goud te verdienen. In de meeste industrielanden is wat er jaarlijks aan hout wordt geoogst belangrijk minder dan wat er aan bos bijgroeit. Dit surplus is groot in de Verenigde Staten en Canada. Maar ook in Duitsland, Frankrijk en Japan. En in de allereerste plaats in Rusland, dat via de emissiehandel toch al fors aan het Kyoto-protocol kan verdienen.

Eerder al had het IPCC (het VN-panel dat klimaatveranderingen onderzoekt) de voordelen en gevaren van het meetellen van bos- en landbouwgrond onderzocht. Men had kritiek op de inconsequente formulering van het Kyoto-protocol en noteerde dat er nog veel onzekerheden waren. Maar men zag wel een groot potentieel voor CO2-opslag. Bij goed bosbeheer (met aandacht voor herstel, bemesting, plagen en bosbranden) zou volgens het IPCC tegen 2010 jaarlijks mogelijk 100 megaton koolstof worden vastgelegd in de bossen van industrielanden.

In Den Haag en Bonn werd vooral gesproken over beheer van bos. Pronk stelde voor CO2-opname van bestaand bos wel mee te tellen, maar in verband met de onzekerheden voor niet meer dan 15 procent. Die hoeveelheid mocht bovendien maximaal 2,5 tot 4 procent van de totale uitstoot zijn (een zogeheten cap) in het referentiejaar 1990. Rekenregels kwamen er op de conferentie in Bonn niet. In plaats daarvan dook op de laatste dag `Appendix Z' op. Hierin werd alle gekrakeel van de voorgaande maanden over de sinks vertaald in koele cijfers. In een voetnoot stond dat men zich had laten leiden door een `cap' van 3 procent én door `nationale omstandigheden'. In totaal werd voor 82 megaton koolstof toegewezen (inclusief de VS). Dat is nauwelijks minder dan het IPCC als maximum had becijferd.

In werkelijkheid blijkt de `cap', in de voetnoot van Appendix Z, onzin. Vergeleken met bosbouwstatistieken mogen Japan en Canada veel meer in rekening brengen dan die 3 procent. De Scandinavische landen daarentegen krijgen aanzienlijk zwaardere beperkingen opgelegd, terwijl Zwitserland juist weer heel goed wegkomt. De VS ontbreken geheel, die deden niet meer mee.

Daarmee is de politieke `koehandel' van Bonn in beeld gebracht en eenvoudig te duiden. Canada, Japan, Australië, Nieuw Zeeland, Zwitserland en Rusland schuilden alle onder de paraplu die door de VS omhoog werd gehouden. Samen vormden ze de Umbrella-groep die zich keerde tegen een daadkrachtig CO2-beleid. Hun hardnekkige verzet heeft ze geen windeieren gelegd en dat zichtbare succes legt een zware hypotheek op verdere Kyoto-onderhandelingen.

Hoezeer het oorspronkelijke doel van Kyoto is aangetast, valt niet aan te geven zolang niet bekend is hoeveel CO2 er verhandeld gaat worden en of de VS nog enige inspanning gaan leveren. Zeker is wel dat de bossen samen zorgen voor een derde van de reductieverplichting, waarmee het Kyoto-ideaal in feite is teruggebracht van 5,2 procent tot 3,5 procent. Een meetbare afremming van de atmosferische opwarming valt daarvan niet te verwachten.