Rutgers Huizen gingen aan hun eigen succes ten onder

De Rutgers Huizen hebben hun nut voor de seksuele bevrijding bewezen. En daarmee ondermijnden zij hun eigen bestaansrecht.

In de bloei van een organisatie ligt altijd het verval bestorven. Succes leidt tot uitbreiding en dan komt er een moment dat de core business overwoekerd raakt door frillies. Zo zijn de Rutgers Huizen aan hun eigen succes ten onder gegaan. De kerntaak van de in 1969 van de NVSH afgesplitste Rutgers Stichting was helder genoeg: het verschaffen van voorlichting en hulp op het gebied van geboorteregeling en seksualiteit. Aan individuen.

Dat laatste is zeer belangrijk, want het betekende dat er op 36 plaatsen in het land een loket bestond, waar mensen met problemen zich konden vervoegen. In de jaren '70, toen overal de vrije seks lokte maar de autoriteiten de slagboom nog gesloten hielden, konden tienermeisjes via de Rutgers Huizen veilig en anoniem de pil bemachtigen. Mensen konden er terecht met hun geslachtsziekten. Ook de morning-afterpil en hulp voor abortus konden zonder hinderlijke bemoeienis van ouders of huisarts verkregen worden. Tot en met de jaren tachtig lagen de tarieven voor een consult tussen de tien (voor jongeren en minvermogenden) en negentig (voor de rijken) gulden. Rijkssubsidie dekte verder zeventig procent van de kosten.

Uit de boedelscheiding met de NVSH had de Rutgers Stichting duidelijk de beste papieren meegenomen. De NVSH begon leden te verliezen zodra zij zich ging richten op efemere kwesties als de ideologie van de seksbeleving en randgroepseksualiteit; de Rutgers Stichting bestreek het concrete terrein van de hulpverlening en voorlichting aan individuen. Klanten genoeg: 100.000 consulten per jaar, waarvan de verdeling tussen anticonceptievragen en (de medische kant van) seksuele problemen ongeveer 2:1 was.

Een dergelijke instelling was een voorbeeld van typisch Nederlandse progressiviteit. Terwijl er in maatschappelijk opzicht geen consensus bestond over delicate onderwerpen als seks voor en buiten het huwelijk of de legitimiteit van anticonceptie, werd toch van overheidswege ingezien dat de problemen op dit gebied beter niet genegeerd konden worden. De Rutgers Huizen met hun pragmatische opzet passen in een lange Nederlandse gedoogtraditie.

In de jaren '80 begon de hulpvraag af te nemen. Moeders stuurden zelf hun tienerdochters naar de huisarts voor de pil. Abortus werd gelegaliseerd. Anticonceptie had niets gewaagds of buitenissigs meer. In 1991 vond de eerste inkrimpingsoperatie plaats. Tien van de 36 Rutgers Huizen werden gesloten en er kwam een tariefsverhoging. Het jaar daarop, in 1992, werden nog eens negentien loketten gesloten.

Voortdurend is in het vorige decennium geknaagd aan het bestaansrecht van de Rutgers Huizen. Minister Borst wilde in 1994 (30.000 consulten) de zes miljoen subsidie die terugbrengen tot 800.000 gulden. De hulpvragen konden best door instanties als de huisarts en de Riagg's worden behandeld. Wat overbleef van de Rutgers Stichting moest de aandacht verleggen van hulp naar voorlichting en preventie. Fusie met het Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch Onderzoek zorgde voor een toename van het aantal enquêtes, met het voorspelbare resultaat dat de behoefte aan voorlichting eindeloos is.

De nieuwe doelstellingen zijn vager, het effect veel moeilijker meetbaar. Terwijl de subsidiestroom opdroogde, probeerde de Stichting zichzelf in stand te houden door de commerciële weg in te slaan. Ze richtte business units op, de gratis telefonische voorlichting werd vervangen door 06-lijnen à 1 gulden per minuut, en cursussen voor scholen en bedrijven, bijvoorbeeld over seksuele intimidatie, werden in prijs verhoogd en er werden geinige educatieve spelletjes ontwikkeld als de computerquiz Love Bytes. Uiteindelijk kon de Stichting zich niet voldoende onderscheiden van de voorlichtingsactiviteiten op middelbare scholen met hun uitgebreide sekseducatie bij de basisvorming, noch van de puur commerciële aandacht voor seks in (tiener)tijdschriften en op tv. Daarnaast moest de Stichting zich profileren op de doelgroepenmarkt, zoals allochtonen, ouderen en gehandicapten.

Nederland heeft het laagste abortuspercentage ter wereld, ongetwijfeld mede dankzij de anticonceptie-inspanningen van de Rutgers Stichting. Sinds het begin van de bezuinigingen heeft de Stichting geprotesteerd tegen en gewaarschuwd voor een stijging van zowel het aantal abortussen als van tienermoeders. Deze dreiging is slechts een klein beetje bewaarheid. Als de cijfers voor abortus en tienermoeders de laatste paar jaar iets zijn gestegen, komt dat grotendeels op het conto van allochtone meisjes en vrouwen (met name Antillianen), die als doelgroep kennelijk toch niet zo makkelijk bereikt kunnen worden als de autochtone vrouwen in de jaren zeventig. Hun problemen, en niet te vergeten de antiwesterse houding van vele allochtone jongens en mannen tegenover seks, zijn niet het soort problemen waar een rationeel, op verheffing gericht en uit de gedoogcultuur voortkomend instituut als de Rutgers Stichting mee uit de voeten kan. De seksuele problematiek onder allochtonen zal op een andere manier moeten worden aangepakt. Er blijft altijd behoefte aan nieuwe verheffingsinitiatieven.