Mooie plaatjes van de Masai

Het prototype van de `authentieke' Afrikaanse stam die tot de westerse verbeelding spreekt is het Masai-volk. Hun uitgerekte oorlellen hebben menig koffietafelboek gehaald. Ze kleden zich in fotogenieke rode lappen, dragen halssieraden van kleurige kraaltjes, hoeden hun vee met stokken en zijn zo thuis in de wildernis dat ze niet eens meer de moeite nemen de vliegen uit hun gezicht te slaan. Exotisch en onaangepast: de Masai zijn Afrikanen zoals je vroeger als kind dacht dat Afrikanen zijn.

Maar de werkelijkheid heeft die plaatjesboekenwereld ingehaald. De Masai zien er nog steeds exotisch uit, maar hun omgeving is drastisch aan het veranderen. Op safari in Kenia kom je de Masai vanzelf tegen. Daar poseren ze voor toeristen of werken ze als parkwachter in wildparken. De Masai is een herdersvolk dat vroeger geen privébezit van land kende maar wiens nomadische levensstijl bedreigd wordt door de vooruitgang. Landbouwers, politici en milieubeschermers zitten de Masai in de weg. Voor nomaden is tegenwoordig geen ruimte meer.

De Masai leveren evenwel prachtige plaatjes op. De wilde dieren van Kenia ook. In Safari, de documentaire die de Nederlander Jack Janssen maakte voor de Humanistische Omroep, is het allemaal te zien. Janssens vertelt meteen aan het begin waarom hij naar Kenia ging. Toen hij ,,een jaar of acht'' was, toonde zijn vader hem de home movies die hij in Kenia had gemaakt toen hij daar werkte in de jaren zestig. Jack is er verwekt. Kort daarop gingen zijn ouders terug naar Nederland. Zo maakte hij kennis met Kenia ,,op een regenachtige dag toen mijn vader voor het eerst zijn Afrika-filmpjes liet zien''. ,,Het filmscherm was de plek waar ik wilde zijn.''

Janssen gaat in Kenia op zoek naar een wereld die in zijn verbeelding mythische proporties heeft aangenomen, het ongerepte Afrika waarvan hij denkt dat het zijn thuisland is. Hij praat met Masai-krijgers die in een van Kenia's beroemdste wildparken leven en met veeteelt en het verbouwen van maïs in hun onderhoud voorzien. Janssen filmt met een geduldige, kundige hand en gunt de kijker de tijd om de omgeving tot zich door te laten dringen. Gaandeweg blijkt dat de Masai helemaal niet zo wild zijn als ze eruit zien, maar zich noodgedwongen hebben aangepast aan de eisen van de moderne tijd. Draaide hun cultuur vroeger om de niet zo heel vreedzame coëxistentie met wilde dieren, nu is jagen verboden en worden ze dagelijks geconfronteerd met mensen die zij tamelijk exotisch vinden: westerse toeristen. Zoals één van de Masai zich als kind afvroeg: ,,Waarom komen die blanke mensen naar dieren kijken als ze die niet slachten voor het vlees of melken voor de melk?''

Schrijnend is het te zien hoe de westerse toeristen, die bijna in tranen van ontroering uitbarsten als ze een olifant zien, of verrukte kreetjes slaken zodra ze een leeuw in beeld krijgen, ook de Masai als een fascinerende diersoort behandelen.

Helaas blijft volstrekt onduidelijk wat Janssen met Safari wil vertellen. De vorm wint het van de inhoud; de context ontbreekt. Janssen lijkt te willen zeggen dat vroeger alles beter was. ,,De plek waar de beelden vandaan komen is verdwenen'', concludeert hij aan het slot. Dat had hij vanuit Nederland ook wel kunnen bedenken.

Safari, Ned.1, 22.48-23.51u.