Het huidige bewind heeft Indonesië weinig te bieden

Het huidige Indonesië is nog lang geen democratie. Van de zittende machthebbers moet niet verwacht worden dat zij de aanzet zullen geven tot een democratiseringsproces. De jonge generatie en de studenten zullen het voortouw nemen, meent Pramoedya Ananta Toer.

Het Indonesische volk roept op het ogenblik om gerechtigheid en als de nieuwe regering van Megawati Soekarnoputri daarin niet kan voorzien, moet die meteen weer ontbonden worden.

Met Megawati aan het roer blijft de dreiging van een sombere toekomst over het land hangen. Het volk heeft geen idee wat ze denkt te gaan doen aan de talrijke nijpende problemen van het land, zoals de massale armoede, de groeiende buitenlandse schuld en de dreiging dat het land uiteenvalt.

Het bestuur van Megawati verschilt niet van het bewind van de Nieuwe Orde uit de jaren van Soeharto. De huidige machthebbers zijn dan ook nog altijd mensen van Soeharto.

De nieuwe president heeft nationaal en internationaal vrijwel niets gepresteerd. Haar beginselen en leiderskwaliteiten zijn nog onbekend. Ze is tot voorzitter van de Indonesische Democratische Partij van de Strijd (PDI-P) gekozen omdat de leden van de PDI-P gewoon niemand anders konden vinden en haar alleen naar voren schoven omdat ze een dochter van Soekarno is.

Maar toen Soekarno door de Nieuwe Orde werd gestraft, deed Megawati niets. Ze werd zelfs onderdeel van het bewind van de Nieuwe Orde. En toen het volk riep om de berechting van de verantwoordelijken voor de aanval op het hoofdkwartier van de PDI op 27 juli 1997, was Megawati daarop tegen.

Als het Megawati ontbreekt aan beginselvastheid kan ze gemakkelijk worden gestuurd door het leger en algauw een marionet worden. Leger en politie van Indonesië hebben duidelijk hun macht aangewend om haar voorganger, Abdurahman Wahid, te wippen voordat in 2004 zijn termijn erop zat.

Wahid had van begin af aan stelselmatig geknaagd aan de bevoegdheden en de rol van het leger in het politieke leven van het land. Hij is eigenlijk de enige leider in het land die het leger onder burgerlijk toezicht durfde te plaatsen. Het was te verwachten dat dit tot onvrede zou leiden onder hoge officieren, die onder de eerdere regimes ongeëvenaarde bevoegdheden genoten.

De leger- en politievleugel in het Huis van Afgevaardigden (DPR) steunde de eerste motie van wantrouwen tegen Wahid, bond in bij het tweede memorandum, maar stemde voor afzetting van Wahid in de bijzondere zitting van de Raadplegende Volksvergadering (MPR). Ook de lagere militairen en de politiemacht trotseerden heimelijk de bevelen van Wahid, die duidelijk nog altijd hun hoogste bevelhebber was.

Zonder steun van het leger hadden de leden van de MPR Wahid niet durven verdrijven. Het leger, en dan vooral de landmacht, wilde Wahid weg hebben om zelf weer aan de macht te komen.

Dat is nu zover.

De terugkeer van het leger in het politieke strijdperk kon voor de mensenrechten in het land alleen maar een verslechtering betekenen. Schendingen van de mensenrechten zoals moordpartijen, vooral door het overheidsapparaat, zouden weer ongehinderd plaatsvinden.

Wahid, de eerste democratisch gekozen president sinds Indonesië zich in 1945 onafhankelijk verklaarde, heeft niets misdaan wat zijn verjaging rechtvaardigde. Er is wel beweerd dat de afzetting van Wahid verliep volgens democratische en grondwettelijke procedures, maar bij zijn verdrijving op 23 juli werden duidelijk democratische beginselen geschonden. De twee aanklachten wegens corruptie tegen Wahid die het afzettingsproces op gang brachten, waren niet voor de rechtbank bewezen. De openbare aanklager had zelfs al verklaard dat de aantijgingen tegen Wahid onvoldoende gestaafd konden worden.

Maar de politieke elite van het land kon haar honger naar macht en geld niet bedwingen en zette de afzetting toch door. Zo eenvoudig was het. De afzetting van Wahid was niets minder dan een staatsgreep door de Raadplegende Volksvergadering.

Wahids opvolger, president Megawati Soekarnoputri, zou wel eens eenzelfde lot kunnen wachten. Het huidige Indonesië is nog lang geen democratie. De moeilijkheid met het land is dat het voor, tijdens en na de kolonisatie nooit tot een herwaardering en correctie van zijn politieke cultuur is overgegaan. Toen de nationale revolutie voorbij was, heeft Indonesië verzuimd een reorganisatie van het maatschappelijke leven door te voeren, met inbegrip van een herijking en herziening van de rol van het leger.

Meteen na de revolutie in 1950 ging de macht naar de landmacht – niet naar het leger als geheel – en naar de zogeheten `priayi', de nakomelingen van kolonisten en inheemse Indonesiërs. Dat is nog altijd zo.

De Indonesische culturele waarden, vooral met betrekking tot de waarde van de mens, zijn nog altijd heel laag en blijven aanzienlijk achter bij die van de landen op het Aziatische vasteland. Hoe verfijnd het regeringsstelsel ook is, als de waarde van de mens zo laag blijft als nu, zal er niets veranderen.

Indonesië heeft op het ogenblik een groepscultuur, terwijl een individuele cultuur misprijzend en spottend als anti-oosters wordt afgedaan, strijdig met de culturele waarden van oosterse volkeren. Maar het is de cultuur van het individu die ontwikkeling voortbrengt.

Het leven in Indonesië zal niet worden gedemocratiseerd door het huidige bewind maar door de jonge generatie en de studenten. Het probleem waar de jonge generatie en de studenten nu voor staan is dat ze nog geen leider hebben, terwijl Indonesië al het beginstadium van een maatschappelijke revolutie ingaat. Er komen al boeren in opstand die het land terugnemen dat hun met geweld is afgepakt – iets wat ze in het verleden niet durfden. Het volk heeft tal van politiebureaus en legerinstallaties aangevallen.

De maatschappelijke revolutie in Indonesië is begonnen, al is het volk zich daar nog niet van bewust.

Pramoedya Ananta Toer is schrijver.

©IPS