Energieplan Bush werkt alleen aan de pomp

Het nationaal energieplan van de Amerikaanse president Bush kan de marktprijs van olie verlagen. Maar door de maatschappelijke implicaties van het plan zal de wérkelijke prijs van olie stijgen, meent Mark Hertsgaard.

Als George W. Bush deze herfst zijn zin krijgt, zal de échte olieprijs aanzienlijk stijgen niet alleen voor de Amerikanen, maar ook voor de zes miljard mensen met wie zij de aarde delen. Als het Amerikaanse Congres terugkomt van zijn zomerreces, is de belangrijkste beslissing waar het voor staat of het nationale energieplan van Bush moet worden goedgekeurd of afgewezen. De rest van de wereld heeft misschien weinig directe invloed op Capitol Hill, maar de regeringen en media kunnen de Amerikaanse wetgevers in elk geval wijzen op het enorme effect dat hun stem overal ter wereld zal hebben op de economieën, de levensomstandigheden en het milieu.

Natuurlijk is Bush zelf van mening dat zijn plan de prijzen zal verlagen doordat het aanbod wordt vergroot. Daartoe heeft hij een pakket maatregelen voorgesteld die moeten leiden tot een hogere productie van olie (en van andere fossiele brandstoffen plus kernenergie). In een stemming op 2 augustus die zelfs de Republikeinen verbaasde bekrachtigde het Huis van Afgevaardigden de aanpak van Bush grotendeels, met inbegrip van 33 miljard dollar aan belastingvoordelen voor oliemaatschappijen en zonder noemenswaardige verbetering van het brandstofgebruik door auto's en vrachtwagens.

Het is nog maar de vraag of deze stappen echt tot lagere prijzen leiden. De normale regels van vraag en aanbod gelden niet voor de oliesector, gegeven het vermogen van de OPEC en de internationale oliemaatschappijen om de productie en daarmee de prijs te manipuleren. Maar ook als Bush met zijn aanpak wel bereikt wat hij beoogt, dan zal hij alleen de márktprijs van de olie hebben verlaagd: wat een vat `light crude' opbrengt op de Londense spotmarkt, wat een liter benzine aan de pomp kost.

Belangrijker is de werkelijke prijs van olie. Die bestaat uit twee elementen: de marktprijs plus de vele indirecte kosten die olieproductie en -consumptie met zich meebrengen voor natuur, volksgezondheid en toekomstige generaties. Onder het plan van Bush zal in de werkelijke olieprijs binnenkort bijvoorbeeld ook moeten worden verdisconteerd dat het nationale wildreservaat in Alaska wordt binnengevallen met apparatuur voor olieboringen, om nog maar te zwijgen van de aderlating die de Amerikaanse schatkist ondergaat door de belastingverlaging van 33 miljard dollar. Verder zal de werkelijke olieprijs nog oplopen door de groeiende luchtvervuiling waartoe de versoepeling van milieumaatregelen door Bush zal leiden. De uitlaatgassen van het verkeer kosten de gezondheidszorg in de Verenigde Staten nu al jaarlijks honderd miljard dollar.

Voor de wereld als geheel is het ernstigste gevolg een sterkere verandering van het klimaat in de 21ste eeuw. Nu al smelten gletsjers en doen zich vaker en heviger rampzalige stormen voor en dat terwijl de afgelopen eeuw de temperaturen maar een halve graad zijn gestegen. Geleerden verwachten dat de aarde in de 21ste eeuw twee tot zes graden warmer zal worden, met als gevolg nog onstuimiger weer, overstromingen, moordende droogte en maatschappelijke ontwrichting. Weliswaar wordt de klimaatverandering ook veroorzaakt door verbranding van steenkool en aardgas (en door ontbossing en andere factoren), maar de olie blijft een grote boosdoener. Zo'n veertig procent van de Amerikaanse uitstoot van broeikasgassen is van het autopark afkomstig.

Bush heeft in het buitenland terecht kritiek gekregen om zijn afwijzing van het Kyoto-akkoord over de opwarming van de aarde. Niettemin is Amerika er eigenlijk altijd voetstoots vanuit gegaan dat de rest van de wereld zijn olieverslaving wel zou steunen. Bij de vader van Bush omvatte de werkelijke olieprijs de menselijke en economische kosten van de oorlog in de Perzische Golf. De Democraat Jimmy Carter dreigde in 1979 met nucleaire vergelding toen de Sovjet-Unie na de inval in Afghanistan meer macht over de Golf leek te krijgen. Presidenten en Congressen van beide Amerikaanse politieke partijen hebben zelfs tientallen jaren een militair en diplomatiek beleid onderschreven dat erop gericht was de Amerikaanse toegang tot buitenlandse olie te waarborgen. Ten minste 50 miljard dollar van de huidige Amerikaanse militaire begroting is uitgetrokken voor strijdkrachten wier hoofddoel de bewaking is van de olievelden in het Midden-Oosten en de kanalen waarlangs hun productie wordt getransporteerd.

Economen noemen dit `externe kosten', omdat ze worden betaald door de maatschappij als geheel en niet zijn inbegrepen in de marktprijs die consumenten betalen. Dat die externe kosten niet tot uiting komen in de marktprijs maakt die olie voor echte mensen en toekomstige generaties natuurlijk niet minder kostbaar.

Vanzelfsprekend heeft de Amerikaanse olieverslaving ook voordelen opgeleverd; de uitzonderlijke economische groei in de 20ste eeuw was onder meer te danken aan de overvloedige olie. Maar de dreiging van een mondiale klimaatverandering duidt erop dat onze beschaving met haar vertrouwen op olie tegen een afnemende meeropbrengst aanloopt. Het is tijd voor een nieuwe strategie een verschuiving naar zuinig energiegebruik op korte termijn en naar zonne-energie en andere duurzame energievormen op lange termijn. Zo'n Green Deal-beleid zou niet alleen de milieuschade beperken, maar levert bovendien meer banen, winst en welvaart op dan het huidige stelsel.

Bush gokt echter op de bereidheid van de Amerikanen om tot elke prijs de oliestroom op gang te houden en misschien heeft hij gelijk. De Amerikanen zijn verslaafd aan hun auto's, en zijn plan werd gesteund door zowel Democraten als Republikeinen, vakbonden en bedrijven, in het Huis van Afgevaardigden. De Senaat zal meer verzet bieden, maar veel hangt af van de druk die op haar leden wordt uitgeoefend. Daarbij kan beleefde, maar ferme kritiek uit het buitenland een handje helpen. Uiteindelijk zullen de Amerikanen het misschien met Bush eens zijn dat hun olieverslaving elke prijs waard is. Maar ze zullen in elk geval moeten toegeven dat ze daarmee de werkelijke olieprijs voor iedereen verhogen.

Mark Hertsgaard is journalist in San Francisco.