BIBOB's overkill

De opiumwet wordt gewijzigd. Er komt ruimte voor het telen van cannabis voor medisch gebruik en het stelsel van ontheffingen voor laboratoria en dergelijke wordt opgepoetst. Om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van medische wiet en laboratoriumonderzoek wil de regering een beroep doen op het Bureau BIBOB. Het acroniem staat voor ,,bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur''. Dit bureau is al bezig zich warm te lopen, deelde minister Korthals (Justitie) vorige maand mee. Het komend halfjaar gaat het de eerste screeningprocedures uittesten.

Het enige wat nog ontbreekt is de wet die deze toch vrij ingrijpende snuffelactiviteit moet goedkeuren. Het wetsvoorstel BIBOB is nog in behandeling bij de Tweede Kamer, die dus in feite wordt gepasseerd. Dat is niet de eerste keer. Korthals stelde ook al `kwartiermakers' aan om de nieuwe Raad voor de Rechtspraak te vormen, terwijl de Kamer deze nog moest goedkeuren. Behalve dat instelling van het bureau BIBOB van weinig egards tegenover de Staten-Generaal getuigt, is er nog een reden om niet vooruit te lopen op het afsluitende wetgevingsdebat in het parlement. De BIBOB-formule is namelijk uiterst discutabel.

De problemen zitten hem niet in de aanleiding voor wetgeving. Deze wordt geleverd door de noodzaak te voorkomen dat de onderwereld met behulp van dekmantelfirma's overheidscontracten of vergunningen in de wacht sleept. Het probleem voor de bestuurlijke instanties is vaak dat zij aanvragen wel mogen beoordelen op milieurisico's en dergelijke, maar niet op eventuele criminele antecedenten. Er is een duidelijke behoefte aan screening, maar de oplossing die de voorgestelde wet biedt is in de vakpers met zoveel woorden bestempeld als `een wangedrocht'.

Een korte greep uit de bezwaren: er zijn onvoldoende waarborgen voor een proportionele inzet van het onderzoeksinstrumentarium, dat veel te grof is. Het onderzoeksbureau kan putten uit een ongekende hoeveelheid informatiebronnen, hetgeen een inbreuk vormt op de privacy, niet alleen van de directbetrokkenen, maar ook van derde partijen. Sommige informatie moet geheim blijven, maar is wel redengevend voor de uiteindelijke beslissing. Hoe kan iemand zich dan nog verdedigen? Het is toch al niet duidelijk waarom hele economische sectoren bij voorbaat onder verdenking moeten worden gesteld, zoals de wet wil. Het is volstrekt onduidelijk wat de criteria zijn die het openbaar bestuur hanteert bij BIBOB-onderzoeken.

Daar blijft het niet bij. Deskundigen wijzen op de mogelijkheid dat concurrenten de BIBOB-procedure aangrijpen om elkaar een loer te draaien. Een andere zorg is dat de procedure bijvoorbeeld gemeentebesturen in een onmogelijke positie brengt tegenover mogelijke contractpartners: damned if you do, damned if you don't. Met alle bijbehorende claims van dien. De vraag is niet in de laatste plaats of er werkelijk geen andere, minder bezwaarlijke mogelijkheden zijn om malafide bedrijven te weren. De Tweede Kamer heeft met reden na de eerste schriftelijke behandelingsronde een `nader verslag' aan deze wet gewijd. Het bevat een staccato van vragen die lezen als een requisitoir.

In hun antwoord op dit spervuur zeggen Korthals en zijn collega De Vries (Binnenlandse Zaken) dat zij hopen ,,de onduidelijkheid'' die kennelijk bij de Kamer was blijven bestaan, weg te hebben genomen. Het is echter niet een kwestie van duidelijkheid, maar van bestuursrechtelijke overkill. De Kamer heeft gelijk om zwaar te tillen aan de opgeworpen bezwaren. Deze hebben direct betrekking op de `producten' die het Bureau BIBOB nu moet testen. Het is ronduit onbehoorlijk van de ministers vooruit te lopen op een wet die er nog niet is en er in zijn voorgestelde vorm niet zou moeten komen.