Valkuil: vakmanschap

Langzaam kruipt Nederland onder het paarse dekbed vandaan. Als Wim Kok morgen inderdaad zijn vertrek bekendmaakt en zich niet op het laatste moment bedenkt boven een laatste glas warme melk, of na een rustgevende fietstocht met kennissen of familie, dan staat Nederland Partyland er opeens alleen voor, zonder strenge maar rechtvaardige vader.

Dat is goed nieuws. De verdiensten van Kok zijn duidelijk we zullen niet snel zijn gevleide uitleg van het poldermodel vergeten aan een bewonderend internationaal gezelschap in het Amerikaanse Denver, aan de voet van het graf van Buffalo Bill maar nieuwe tijden vragen nu eenmaal om een nieuwe aanpak. De zegen van Paars was het afscheid van de technocratische arrogantie van het tijdperk-Lubbers, toen de gesloten beheersmaatschappij CDA Nederland onder haar hoede had, in een onmogelijke spreidstand tussen de verzuilde samenleving van voor de oorlog, en het luidruchtige zwelgfeestje dat in de jaren negentig aanbrak. De schichtige, als flipperballen rondstuiterende ogen van Jaap de Hoop Scheffer wijzen erop dat die partij nog steeds niet door heeft waar in het postmoderne Nederland de mosterd te halen valt.

Paars daarentegen was onder Kok modern, maar niet wispelturig, seculier maar niet van God los, aantrekkelijk maar niet opwindend, beheerst maar niet sloom, kortom, het was in die tijd de ideale politieke formule voor een land dat wel eens ongehinderd door calvinistisch schuldbesef maar met een genetisch gecodeerde behoefte aan een dekkende verzekering, de frontiers van de welvaart wilde verkennen, een gebied waar, om in Star Trek-termen te blijven, geen Nederlander ooit tevoren was gegaan.

Dat is dus gelukt, acht jaar lang, en de files, niet alleen op de snelwegen maar ook op de waterwegen en in de rijen op Schiphol, zijn het beste bewijs van de triomftocht van het Nederlandse hedonisme waaraan de naam van de zelf zo oneigentijds sobere, digibete Kok blijvend verbonden zal zijn. En het ís ook een prestatie, wie zal het ontkennen? Nederlanders de gelegenheid geven te genieten van hun zelfverdiende welvaart, onder het afstandelijke toezicht van een nuchtere, bescheiden overheid ook ideologisch was dit het tegendeel van de moralistische flagellanten-samenleving die sommige van Koks partijgenoten in de jaren zeventig nog voor ogen stond.

Nederland Partyland is dus misschien niet eens het grootste probleem, en ondanks alle publieke overlast het vuil op straat, het lawaai, de ontblote bovenlijven, de patsers op de snelweg, et cetera niet het meest explosieve deel van de inboedel die Kok zal achterlaten. Feestjes houden nu eenmaal een keer op, als de drank op is, de buren beginnen te klagen of men zich eenvoudigweg gaat vervelen. Ernstiger is de bijbehorende erfenis van Nederland als een land van vakkundig opererende politieke en andere professionals, die louter gedreven worden door overwegingen van vakmanschap en `kwaliteit', en die zo de kwesties van de eenentwintigste eeuw te lijf willen gaan voorzover ze die herkennen. Nederland Profi-land.

Na de afrekening met de verstikkende CDA-cultuur heeft Paars onder Kok de hegemonie gevestigd van een ideologisch vervlakt en uiteindelijk bloedeloos professionalisme, en van een cultuur van onophoudelijke zelffelicitatie. Dat heeft een maatschappelijke uitstraling gehad naar bedrijven, media en sportverenigingen, waar enthousiasme en plezier in eigen en andermans prestaties gedempt worden door bezorgdheid om de cijfermatige eisen van eigentijds management en marktonderzoek.

Zo wordt vakmanschap een valkuil. Het is de uiting van een bestuurlijke cultuur die onder alle feestgedruis in wezen diep onzeker en relativistisch over zichzelf is, zijn heil derhalve zoekt in de risicoloze kwaliteit van vakmanschap, en zijn persoonlijke opvattingen daarbij liever voor zich houdt, in afwachting van een ambachtelijke consensus. Zo kan een applauscultuur ontstaan, voorzien van permanente Singapore Airlines glimlach, waarin twijfelaars en zeker negatievelingen meteen spelbrekers zijn behalve als ze op een podium staan om ons te vermaken, met een paar leuke bretels om en een grappig brilletje op. Elke tijd zijn eigen clown.

Intussen zijn de averechtse gevolgen van zo'n professionele opvatting van het maatschappelijk leven onbehaaglijk duidelijk geworden: zie het verlies aan juist de veelgeprezen eigenschappen vakmanschap en kwaliteit bij de voormalige staatsbedrijven NS en KPN. Dat is de ultieme paarse paradox: de cultus van professionalisme leidt juist tot een aantasting van die deugd, bij gebrek aan een hoger doel dat ermee gediend moet zijn. Vakmanschap gedijt het beste als het niet zelf het hoogste doel is, maar ten dienste staat van iets anders. Professionalisme zonder kompas draait in het luchtledige.

Het vertrek van Kok, en de opluchting waarmee op dat nieuws is gereageerd, kan een breuk betekenen met die geïmplodeerde poldercultuur van efficiënt beheer. En dan hopelijk niet alleen maar uit naam van een nieuw populisme, zoals dat belichaamd wordt door de gemankeerde wereldleider Pim Fortuyn, of stuurloos idealisme zoals dat van Jacques de Miliano. De opkomst van zulke figuren is een veeg teken, al is het maar van de welvarend-volkse ergernis over Haagse zelfgenoegzaamheid. De paarse partijen zouden het zich ter harte moeten nemen. Afscheid van kleurloos consensus-denken kan immers ook betekenen: weer risico's nemen, openlijk ideeën durven ventileren, met kans op mislukking, ruzie en escalatie, en vooral: verantwoordelijkheid durven nemen.

Zal dat ook gebeuren? Koks kroonprins Ad Melkert had, bijvoorbeeld, best minder opgelucht mogen ademhalen na de presentatie van het rapport-Koning gisteren, over het rommeltje met de Europese werkgelegenheidssubsidies.

Wat uit dat rapport naar voren komt, is weliswaar geen frauduleus schandaal, maar toch een typisch staaltje paarse afkoop-politiek: sociale vrede gekocht met creatief benutte subsidie. Maar betaalde vrede, luidt de les van twee kabinetten-Kok, is niet genoeg.