Telt de schaduw van Joop den Uyl?

Morgen vertelt hij het. Morgen eindigt de lange periode waarin Wim Kok in het midden heeft gelaten of hij volgend jaar wel of niet opnieuw beschikbaar is als lijsttrekker, kandidaat-premier en leider van de PvdA. In de naoorlogse nationale politieke geschiedenis is er bij mijn weten geen ander voorbeeld van een partijleider/premier die bijna twee jaar voor het verstrijken van zijn lopende termijn openlijk aankondigde dat hij daarover tot acht maanden voor de volgende verkiezingen wil nadenken.

Nadenken over zo'n vraagstuk kun je ook zonder uitdrukkelijk aan te kondigen dat je gaat nadenken. Kok, bijna 63, premier sinds 1994, daarvoor sinds 1989 vice-premier/minister van Financiën, daarvoor sinds '86 fractieleider in de Tweede Kamer, daarvoor bestuurslid en voorzitter (1973-'86) van de FNV, zal zijn redenen hebben gehad om ons allen zo vroeg te vertellen dat hij met dat vraagstuk worstelde. Heeft hij wellicht aan een plan dat al bijna vaststond, namelijk het allereerste nationale gelid verlaten in 2002, een operationele gebruikswaarde gegeven door er al zó vroeg, zij het voorwaardelijk, over te spreken?

Kan het zijn dat hij er de kaders van zijn eigen partij enigszins mee wilde disciplineren? Zo ja, dan heeft dat goed gewerkt voor de zwijgzaam-behoedzame manier waarop hij de dilemma's rondom het huwelijk van de kroonprins uit de wereld hielp. Of tenminste Nederland uit hielp, de vader van de bruid zelfs letterlijk, op de trouwdag. Want dat de PvdA-kaders Kok desgevraagd volledig tijd en ruimte gaven om in alle beslotenheid aan een goede uitkomst te werken, had er vast ook mee te maken dat zij de over zijn toekomst nadenkende premier in zo'n delicate zaak niet tussentijds wilden bruuskeren.

Er is nog iets dat de premier als partijleider met zijn vroege aankondiging kan hebben beoogd. Namelijk dat de tweede man in de partij, fractieleider Melkert, zich niet alleen alvast kon gaan warmlopen, maar ook als het ware door Koks nadenken redelijk gelegitimeerd was om dat te doen. Melkerts agenda gaf daarvan het afgelopen jaar wel wat te zien. Zijn kritische voorwaarden aangaande toekomstige NAVO-operaties à la Kosovo hadden bijvoorbeeld soms wel wat van een schot voor de boeg van Koks tweede kabinet, al waren zulke schoten in de Kamer zachter dan erbuiten. Hoe dan ook, door de onzekerheid over Koks toekomst kreeg Melkert meer `eigen ruimte' tegenover de bevriende premier dan gebruikelijk is in de PvdA. Mensen als Burger en De Goes van Naters, die vijftig jaar geleden als fractieleiders hun toenmalige premier Drees wel eens tegenspraken, gelden daarom nu nog als bijzonder.

Want de PvdA is een monistische partij waarin, wanneer zij regeert, de eigen premier en niemand anders de chef is. Zij heeft, mede daardoor, geen geweldig goede traditie als het om de wisseling van het leiderschap gaat. Wanneer, hoe en vooral hoe effectief regel je zoiets immers zolang de partijleider per se wil aanblijven dan wel geen zin heeft om halverwege een parlementaire rit een lame duck van zichzelf te maken door alvast zijn vertrek aan te kondigen? Vaak loopt dat trouwens ook elders slecht af, zoals de heer Lubbers en het CDA elkaar kunnen bevestigen. Een goede kroongetuige mag op dit stuk de vroegere PvdA-leider en premier (1973-'77) Joop den Uyl heten. Die had in de tweede helft van de jaren zestig van de vorige eeuw Vondeling snel als partijleider verdrongen, daarbij `begunstigd' door de val van het kabinet-Cals ('65-'66), waarin Vondeling vice-premier en minister van Financiën was en Den Uyl zelf op Economische Zaken zat. Vervolgens bleef Den Uyl zo'n twintig jaar eerste man in de PvdA. Hij was vier jaar premier, hielp Nieuw Links in de partij en de partij bij Nieuw Links te houden, stimuleerde de grote confessionele partijen door aanhoudende beschietingen mede tot de vorming van het CDA, vocht vanaf eind 1977 jarenlang vergeefs voor een tweede kabinet-Den Uyl en versleet in die tijd een handvol kroonprinsen. Namen? Van Thijn, Van Kemenade, M. van den Berg, Van der Louw, Duisenberg, M. van Dam (nu de Volkskrant). Je leest nog wel eens wat over dat ,,legendarische'' kabinet-Den Uyl, en wie van legendes en de lieve vrede houdt, hoeft daaraan een kwart eeuw later geen aanstoot te nemen. Waarom ook, je zou daarmee heel wat aardige, intussen middelbare landgenoten kwetsen. Maar niettemin, nadat de formatie van een tweede kabinet-Den Uyl was mislukt, en de VVD in veranderend Nederland steeds groter begon te groeien, zou het voor de PvdA waarschijnlijk heel goed zijn geweest als zij toen al een andere partijleider had gekregen. Er is een aardige anekdote die illustreert dat er destijds PvdA'ers waren die enigszins in die richting dachten. Namelijk de PvdA-ministers uit Den Uyls kabinet die, eind 1977, meenden dat zijn status als oud-premier en partijleider zou slijten wanneer hij als een puntenboksende oppositieleider aan de interruptiemicrofoon van de Tweede Kamer alsmaar in het debat van de dag gevangen zou zijn. Hij had hun suggestie om buiten de Kamer op betere tijden te wachten afgewezen, wat dat betreft was hij een waard die zijn gasten meende te kennen, maar was er wel mee akkoord gegaan dat Van Thijn als vice-fractieleider de meeste interruptiedebatjes zou doen. De eerste keer dat zoiets aan de orde was, januari 1978, was Van Thijn nog aan het opstaan terwijl Den Uyl al heftig stond te interrumperen. ,,Toen hebben we dat maar zo gelaten'', grimlachte Van Thijn daarover later.

Niettemin, het probleem-Den Uyl, het probleem van een man die voor steeds meer jonge kiezers een voorbije tijd representeerde, zou tot 1986 duren. Namelijk tot Kok als `lijstduwer' de campagne van Den Uyl kwam versterken en even later partijleider werd. Minder bevlogen, zonder die schorre stem, kromme arm of de geëngageerde instant-opwinding waarmee Den Uyl congressen kon bespelen. Maar straks, in het geschiedenisboek, waarschijnlijk een grotere premier, al heeft de economie daarbij meegeholpen. Kok spreekt geen kwaad over Den Uyl en diens langdurige partijleiderschap, hij kijkt wel uit. Maar hij zal aan hem hebben gedacht, de afgelopen maanden.