Na Uitmarkt heeft Museumplein iets idyllisch

Het is redelijk goed afgelopen. Vorige week donderdag verscheen de voorhoede van de Amsterdamse Uitmarkt op het Museumplein, met het zware materieel: trekkers met opleggers, hijskranen, hoogwerkers, en de manschappen met hun veiligheidshelmen op en uitgerust met het modernste gereedschap. Telkens weer doet me zoiets in de verte denken aan Normandië, juni 1944. Deze uitpakkerij dient de culturele landing op het Museumplein, het is de voorbode van het seizoen.

Iedere Amsterdammer heeft een zwak voor het Museumplein. Dat heeft een paar oorzaken. Het is de enige openbare ruimte die groot genoeg is voor een massa. Vandaar dat er zich historische gebeurtenissen hebben afgespeeld. De AVRO-luistervinken hebben zich er verzameld om Willem Vogt te horen spreken. De NSB heeft er vergaderd. De tegenstanders van de kruisraketten hebben er hun grootste demonstratie gehouden, en de aanhangers van Ajax hun triomf gevierd. Het Museumplein is het terrein voor de IJsclub geweest, de kortste snelweg van Nederland heeft er gelegen en het is een tuin geweest voor beelden waarvan na een paar jaar alleen de sokkels waren overgebleven. Omdat het zo ruim is, wil ieder gemeentebestuur er iets mee doen, en omdat het zo historisch is, roert zich dan altijd een sterke fractie die het wil laten zoals het is.

Een paar jaar geleden was het de beurt aan de deelraad Zuid om met de definitieve oplossing te komen. Radicaal, eigentijds. Er werd een Deense landschapsarchitect in de arm genomen de Deense tuinkabouter die de snelweg liet opruimen. Het lindenlaantje werd omgehakt, de beeldentuin van het Stedelijk verdween, onder de grond kwamen grote garages en boven de grond de uitbreiding van het Van Gogh Museum, een Albert Heijn en een met gras begroeide hellende driehoek, het Ezelsoor. Op het grootste deel van de vlakte werd gras gezaaid, dat opkwam. Ik vond het mooi en had er vrede mee. Het gaat daar om het uitzicht, vooral voor de passagiers van de lijnen 3, 5, 12 en 20, op het Rijksmuseum. Het is jammer dat Cuypers zelf niet in dit perspectief kan zien wat hij ervan gemaakt heeft. En laten we blij zijn dat Frank Gehry niet is uitgenodigd.

Toen het klaar was, trok de eerste Uitmarkt er overheen en toverde de jonge grasvlakte om in een modderzwijnerij. Het duurde wel een paar maanden voor de natuur het had hersteld. De volgende Uitmarkt werd op straat gehouden, waar te weinig ruimte is om het begin van het seizoen met z'n tienduizenden tegelijk housend te beleven. Dit jaar was het Museumplein weer aan de beurt.

Ik vreesde het ergste. Tien dagen achter elkaar bleef het stortregenen. Maar toen, als door een wonder, bleef het wel een week droog. Woensdagochtend keek ik, heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees, naar de ongeschonden groene vlakte. Donderdag was het zover. Biertenten, podium hier, podium daar, veel luidsprekers.

De dagen daarop meed ik de buurt. 's Avonds dreunde de cultuur. Toen het stikdonker was, begon het weer te regenen, hard. De muziek ging door. Uit de verte sprak het zwaarste house-geschut. En, dacht ik, het heeft wel iets: daar met duizenden op de maat van het bom-bom-bom, in wolkbreuken, begeleid door donder en bliksem in de modder rondstampen tot je er bij neervalt. Je zou er eigenlijk een paar grote dieren bij moeten slachten. En ten slotte komt, zoals Vestdijk het heeft uitgedrukt, `het promiscueus bevruchten in de greppels'.

Op de ochtend na de Uitmarkt ben ik voorzichtig gaan kijken. Zoals gezegd, het viel mee. Het après heeft zelfs iets idyllisch, uit de tijd van het vroeg impressionisme. Het gras heeft een paar zware klappen opgelopen, maar ook waar cultureel gehakt wordt, vallen spaanders. Mijn tuinmansoog zegt me: voor eind september is het bijgetrokken. We hebben geboft met die droge dagen die aan het evenement voorafgingen.

Maar toch, kunnen we de volgende Uitmarkt niet splitsen. De boekenstalletjes op straat, de voorstellingen in de theaters, de magistrale opening in de Arena en de rest in Wolphaartsdijk. Iedereen tevreden, en het groene plein gered.