IJslandse volksmuziek met fascinerende kwinten

,,Ik eis stilte!'' Gebiedend opent de Edda met het visioen van de zieneres Völuspá. In de voorlaatste strofe aanschouwt ze een zaal, schoner dan de zon getooid met gouden dakpannen waar een duchtige krijgerschaar eeuwig geniet van hun levensvreugde. Nu ja, eeuwig? In de laatste strofe verschijnt een draak, een fonkelend serpent vanuit de diepste schemering van het Maangebergte. Rond 1000 werden deze IJslandse gedichten uitgevoerd aan het Noorse hof tegen de achtergrond van kleurrijke passende wandkleden, maar wie dacht dat de presentatie door Benjamin Bagby's Ensemble Sequentia in de enscenering van de New-Yorkse theatermaker Ping Chong even fonkelend en fantastisch zou ogen, kwam bedrogen uit.

Het begon zaterdagmiddag in de Utrechtse Stadsschouwburg heel duister en donker bleef het. Niet het kleinste vikingenhelmpje kon er vanaf. De musici schoven zonder passende kostuums of rekwisieten op een bewegend podiumpje met nog een zwijgende rol voor de zieneres. Geometrische figuren op de achtergrond verwezen naar het beoogd abstracte uitgangspunt. Toch werd die stilering niet consequent volgehouden. Ingetogen waren zeker Lena Susanne Norin en de lyrischer Agnethe Christensen als respectievelijk Gudrun en Brynhild; ongeveer driekwart herinnert aan Wagner. Maar Bagby liet zich wel degelijk in het vuur van het spel verleiden tot een overdramatische gebarentaal. Omdat er weinig te zien viel richtte alle aandacht zich op Bagby's muzikale reconstructie, voornamelijk in een afleiding van de IJslandse rimur, een vocale traditie die teruggaat tot de 15de eeuw te vergelijken met het Franse Chanson de geste. Tevens betrok Bagby in zijn reconstructie die overigens geen enkele authentieke waarde heeft, de dansmelodieën van de Faroër-Eilanden en liederen uit de Baltische staten. Ik vond zijn zingzang fraai maar te eenvormig, eigenlijk alleen werkelijk boeiend waar hij meerstemmigheid hanteert, zoals in het IJslandse tvfsöngur gebaseerd op parallelle kwinten. Daarbij moest ik denken aan een uitspraak van Stravinsky: heel mooi maar als je in slaap valt en weer wakker wordt heb je niet echt veel gemist.

Het was later op de dag in Muziekcentrum Vredenburg even slikken toen het IJslandse Ensemble Embla ook al begon met een Edda-reconstructie. Na de stemmen als zwaarden bij Sequentia nu een vorm van zenuwachtig trillende huisvlijt. Maar gaandeweg kon je je overgeven aan de volstrekt onpretentieuze zang in IJslandse volksliederen met weer van die fascinerende kwintenduetten. De meeste indruk maakte een lied waarin de geest van een baby haar arme moeder, die geen passende kledij voor een dansfeest bezit, adviseert toch te gaan en wel gehuld in de sjaal waarin ze de baby te vondeling legde.

De countertenor Sverrir Gudjonsson toonde zich tegen middernacht in de Pieterskerk in onder meer hetzelfde lied zeker professioneler, maar Embla wist meer te ontroeren. Een soortgelijke tekst componeerde Johann Ludwig Bach (1677-1731) in een motet waarin een overleden kind de rouwende ouders troost met de boodschap dat het nu in de hemel van al het lijden is verlost. De muziek is vloeiend en elegant, wel wat onhandig van vorm, maar zeker beter dan de doorsnee barokmuziek, zij het wat al te liefjes voorgedragen door Doerthe Maria Sandmann. De Rheinische Kantorei heeft echter in Anne Röhrig een primarius. In een cantate van Telemann was voor haar een belangrijke rol weggelegd. Het leek nog het meest op een fonkelend vioolconcert met begeleiding van wat schemerig zacht vocaal en instrumentaal gedruis op de achtergrond.

Holland Festival Oude Muziek Utrecht. Ensemble Sequentia, Ensemble Embla en Rheinische Kantorei. Gehoord: 25 en 26/8 op diverse plaatsen in Utrecht.