Gore Vidal en zijn penvriend McVeigh

Op 19 april 1995 werd het Alfred P. Murrah Building in Oklahoma City opgeblazen. 168 Mensen werden gedood. Op 11 juni jongstleden werd Timothy McVeigh geëxecuteerd in de federale gevangenis van Terre Haute, Indiana. Zoals het een Amerikaanse tragedie betaamt, bevindt zich tussen deze twee zekerheden een zee van twijfels, raadsels en suggesties. Een mythe in wording kan niet zonder complot- en doofpottheorieën. Volgens de FBI handelde McVeigh alleen, veel Amerikanen denken daar anders over.

Een van hen is schrijver en essayist Gore Vidal (75), de kleurrijkste luis in de pels van het politieke establishment. Eind 1998 schreef Vidal het essay The War at Home voor het tijdschrift Vanity Fair, over het in zijn ogen toenemende machtsmisbruik van de federale overheid jegens de eigen burgers. Het stuk lokte veel reacties uit, waaronder een instemmende brief van McVeigh uit de gevangenis. Dat leidde tot een correspondentie, en tot de uitnodiging aan Vidal om de executie bij te wonen. Vidal ging akkoord, en zou er een stuk over schrijven voor Vanity Fair. Vidal miste de executie (waarom blijft schimmig), maar schreef wel een artikel over McVeigh.

`Glossy on the outside.. gritty on the inside', zegt Vanity Fair over zichzelf, en voor het septembernummer gaat dat zeker op. Op de cover het perfecte gezicht en de perfecte rug van de Spaanse actrice Penélope Cruz (foto: Annie Leibovitz, jurk: Ralph Lauren, vriend: Tom Cruise). Binnenin, onder veel meer, het elf pagina's tellende stuk van Vidal, waarin McVeigh wordt beschreven als strijder voor een nobele zaak.

Vidal beschouwt McVeigh als iemand die de oorlog had verklaard aan zijn eigen regering omdat die regering de oorlog heeft verklaard aan de eigen burgers. De aanslag in Oklahoma was meer dan wraak voor `Waco', de FBI-actie van twee jaar eerder waarbij ruim tachtig sekteleden om het leven kwamen. Voor McVeigh was het een tegenaanval. Omdat Vidal deze achterliggende motivatie onderkent en deelt, kreeg hij de waardering van McVeigh.

Heel sluw vermijdt Vidal het rechtstreeks uitspreken van zijn bewondering, maar het is duidelijk dat de waardering wederwijds was. Met een verwijzing naar de dichter W.E. Henley (1849-1903) die door McVeigh bij wijze van laatste woorden werd geciteerd, schrijft Vidal: ,,De stoïcijnse sereniteit van McVeighs laaste dagen kwalificeerden hem zeker als een held in Henley-stijl.'' Da's toch net iets anders dan schrijven dat McVeigh een held is, zoals het in de Amerikaanse pers meteen werd uitgelegd.

Overtuigend is Vidal bepaald niet. Zijn betoog is warrig, vol woeste terzijdes, en met op de valreep een portie speurwerk van iemand anders die moet aantonen dat McVeigh niet alleen was. Zijn gescheld op de FBI is potsierlijk (de mysterieuze directeur zat bij Opus Dei!) en laat het schot voor open doel, de niet overlegde documenten die tot uitstel van executie leidden, liggen. Volledig ongestaafd is de suggestie dat regeringsinfiltranten betrokken zouden zijn bij de aanslag, zodat Clinton zijn Anti-Terrorism Act kon realiseren.

Slechts één punt scoort Vidal, en dat punt dankt hij aan een citaat uit een brief van McVeigh. ,,Ik heb uw leeftijd nooit beschouwd als een beperking'', schrijft McVeigh aan Vidal, ,,totdat ik uw brief ontving en zag dat hij was getikt op een typemachine? Geen zorgen, recente medische studies vertellen ons dat de Italiaanse voorkeur voor raapzaadolie, olijfolie en wijn de gemiddelde leeftijd verlengt en helpt hartkwalen te voorkomen u heeft dus de juiste plaats gekozen om gepensioneerd te zijn.'' Geen tekst van een monomane, gefrustreerde en door haat verblinde gek. De media hebben McVeigh gedemoniseerd, zegt Vidal, en misschien heeft hij daarin gelijk.

Onderzoeksjournalistiek, glamour en roddel gaan hand in hand in Vanity Fair. Zoals altijd is er veel leesvoer, en veel aandacht voor film: Penélope Cruz heeft bij Moeder Teresa gewerkt, Woody Allen heeft ruzie met zijn producente Jean Doumanian en Dennis Hopper maakte in de jaren zestig leuke kiekjes van Jane Fonda. Maar er zijn ook stukken over de Spaanse Burgeroorlog en Clintons moeizame verhouding met de legertop tijdens de Kosovo-oorlog.

In zijn voorwoord rept hoofdredacteur Graydon Carter met geen woord over zijn smaakmaker Gore Vidal. Wel roemt hij zijn nieuwe uitgever, die zoveel advertenties heeft verkocht. Want, schrijft Carter, advertenties `especially fabulous-looking advertising' versterken de algehele uitstraling van een tijdschrift. Als een tijdschrift of krant het goed doet, kan een lezer de economische vitaliteit voelen. Vanity Fair, voor de helft gevuld met Prada en Gucci-pagina's, bewijst elke maand Carters gelijk. Maar wat een slijmerd.

Vanity Fair, september 2001, ƒ 13,95.