Bush moet alternatief zoeken voor raketschild

Met het opzeggen van het ABM-verdrag heeft president Bush gelijk: het verdrag is verouderd. Maar de hoge toon die Bush aanslaat is op zijn minst kortzichtig, meent Rob de Wijk. De VS gaan voorbij aan de perceptie van de buitenwereld.

President Bush heeft aangekondigd uit het ABM-verdrag te stappen: het uit 1972 daterende verdrag dat het aantal antiraketraketten aan banden legt. Objectief bezien heeft Bush gelijk: het verdrag is verouderd. De bedoeling van het verdrag was om de wederzijds verzekerde vernietiging in stand te houden. Vandaar dat werd bepaald dat alleen de lanceerinrichtingen van intercontinentale raketten met antiraketraketten mochten worden beschermd. De achterliggende gedachte was dat de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie het vermogen moesten hebben onder alle omstandigheden een vernietigende vergeldingsaanval uit te voeren. Dat vermogen bepaalde het afschrikkingsevenwicht en is volgens velen de verklaring waarom tijdens de Koude Oorlog een militaire confrontatie is uitgebleven.

Maar de Koude Oorlog is voorbij. Warschaupact en Sovjet-Unie zijn van de kaart verdwenen. Rusland is afgezakt naar een derderangs mogendheid met een wrak kernwapenarsenaal en is voor zijn economische ontwikkeling in hoge mate van het Westen afhankelijk. Concepten als wederzijdse verzekerde vernietiging (MAD) voldoen niet meer. Het Amerikaanse plan voor een Missile Defense maakt met deze verouderde concepten dan ook korte metten. Het gaat niet langer om de verdediging van lanceerinstallaties, maar om de bescherming van de bevolking, iets dat in het ABM-verdrag expliciet verboden is. Bush heeft gelijk als hij stelt dat de bescherming van de bevolking moreel te verkiezen is boven de bescherming van intercontinentale raketten die nauwelijks meer een doel dienen, terwijl bevolkingscentra door schurkenstaten kunnen worden bedreigd. Bovendien mag niet worden vergeten dat de enige reële bedreiging voor het Amerikaanse grondgebied terrorisme en raketdreigingen zijn. Vandaar dat terreurbestrijding en raketverdediging prioriteit hebben.

Maar van de bescherming van bevolkingscentra is in de jaren zeventig om goede redenen afgezien. Amerikanen en Russen vreesden dat als de ander een waterdicht schild zou hebben, militaire agressie waarschijnlijker zou worden. Immers, door zo'n schild zou de angst voor nucleaire vergelding verdwijnen. Kortom, conventionele militaire macht zou een bruikbaarder instrument worden. Deze vrees wordt ook nu weer door Russen en Chinezen geuit. Maar voor hen is de situatie van nu bedreigender dan toen. De reden is dat de technologie is voortgeschreden, zodat er een gerede kans is dat hun kernwapenarsenalen nu echt waardeloos worden. Bovendien is de Verenigde Staten de enige overgebleven supermacht. De Amerikanen hebben daardoor meer speelruimte dan ooit in de internationale betrekkingen. Een rakettenschild kan deze speelruimte verder vergroten omdat de inzet van militaire macht een meer bruikbare optie wordt. Althans, dat is de vrees van Russen en Chinezen, die een meer assertieve Amerikaanse buitenlandse politiek vrezen. Zij zien in de komende herstructurering van de Amerikaanse krijgsmacht in de richting van een meer expeditionair leger een extra onderbouwing voor hun vrees. Russen vrezen voor actieve bemoeienis met conflicten zoals die in Tsjetsjenië en een vergroting van de Amerikaanse macht in de olierijke regio van de Kaspische Zee, die door Moskou nog steeds als hun invloedssfeer wordt gezien. Chinezen vrezen voor actieve Amerikaanse militaire bemoeienis met de kwestie-Taiwan en mogelijk Tibet. Europese bondgenoten van de Verenigde Staten vrezen voor een nieuwe wapenwedloop tussen de Amerikanen, Russen en Chinezen, en vrezen bovendien non-coöperatie bij het oplossen van belangrijke internationale kwesties, waardoor de Verenigde Naties worden uitgehold.

De Verenigde Staten liggen hier niet wakker van. Washington heeft weinig te vrezen van welke reactie van Russische of Chinese zijde dan ook. Sterker, conservatieve Amerikaanse denkers pleiten er steeds openlijker voor dat de Verenigde Staten zich meer imperialistisch moeten gaan gedragen. Washington moet de wereld besturen, heet het. En de dominante economische en militaire macht maakt dat mogelijk. De belangrijkste representant van dit denken is Thomas Donelly van het Project For The New American Century, een denktank in Washington. Bij president Bush vinden de voorstanders van een Pax Americana een gewillig oor. Maar niet vergeten mag worden dat reeds onder zijn voorganger Clinton de trend al was ingezet. Het jaar 1998 was een omslagpunt, omdat toen het Amerikaanse unilateralisme zichtbaar werd. In augustus voerden de Verenigde Staten voor het eerst sinds het einde van de Koude Oorlog unilaterale militaire interventies in Soedan en Afghanistan uit, die bovendien niet werden gedekt door een mandaat van de Veiligheidsraad. Daarna zouden vele volgen, waarvan sommige in samenwerking met het Verenigd Koninkrijk, de trouwste bondgenoot, werden uitgevoerd.

Waar Bush en zijn intellectuele achterban aan voorbijgaan, is de perceptie van de buitenwereld. Dat is typisch voor degenen met ongebreidelde macht. Waar echter tevens aan voorbij wordt gegaan is dat de Amerikanen niet de hegemonie hebben in de klassieke zin van het woord; de almachtige supermacht die dicteert. Voor het oplossen van belangrijke internationale problemen moet Washington coalities aangaan. Die moeten worden gesloten met afzonderlijke bondgenoten, de Europese Unie, of regionale machten als Rusland en China. De hoge toon die Bush nu aanslaat is daarom op zijn minst kortzichtig. Regionale machten die zich ergeren aan het Amerikaanse unilateralisme zullen minder bereid zijn tot samenwerking. Dat bemoeilijkt niet alleen het oplossen van conflicten, maar ondermijnt uiteindelijk de stabiliteit in de wereld. Bush zou daarom moeten zoeken naar alternatieven voor zijn rakettenschild en moeten teruggrijpen op het aloude vergeldingsconcept. Immers, ook schurkenstaten zullen afzien van raketaanvallen tegen de Verenigde Staten als zij weten dat die keihard met intercontinentale vliegtuigen of raketten en kernwapens worden vergolden. De bondgenoten moeten zich voor deze optie hardmaken. Het achterhaalde ABM-verdrag kan dan louter om politieke redenen blijven bestaan.

Prof.dr. Rob de Wijk is defensiedeskundige en verbonden aan het Instituut Clingendael.