Kabinet vaart foute koers met aanpak inkomens topmanagers

Het kabinetsvoorstel om de beslissende stem over salarissen van topbestuurders bij naamloze vennootschappen bij aandeelhouders te leggen, is een slechte zaak. Zij beschikken niet over de kennis en deskundigheid om terzake zorgvuldige beslissingen te nemen, meent F.B.J. Grapperhaus.

Het kabinet lijkt in de discussie over de door haar gewenste beteugeling van inkomens van topmanagers zijn ei van Columbus te hebben gelegd. Vrijdag 17 augustus werd bekend dat het kabinet een wetsvoorstel wil indienen dat de zeggenschap over de salarissen van topbestuurders van naamloze vennootschappen bij de aandeelhouders wil leggen. Het voorbereiden van een dergelijk wetsvoorstel is in menig opzicht een onzalig plan.

Zo lijkt het kabinet zich niet gerealiseerd te hebben welke bezwaren kleven aan het bij de aandeelhoudersvergadering van een naamloze vennootschap (nv) neerleggen van de zeggenschap over de salarissen van de top.

Een eerste bezwaar is dat op die manier het toezicht op de topsalarissen volledig bij de factor kapitaal wordt gelegd, terwijl de kennelijke wens van het kabinet nu juist is dat ook de factor arbeid bij dat toezicht betrokken moet worden: het is primair een zaak van werkgevers en werknemers, aldus minister Vermeend. Sterker: het kabinet wil een meer maatschappelijke toetsing.

Aandeelhouders zullen echter letten op hun eigen belang en zich in hun door het kabinet beoogde toezichthoudende functie weinig aantrekken van het feit dat die beloningen voor de bedrijfstop niet in de pas lopen met maatschappelijke ontwikkelingen zoals gemiddelde inkomensstijgingen, zeker niet wanneer die gemiddelden mede gebaseerd zijn op wat buiten de onderneming gebeurt.

Een ander bezwaar is dat (groot) aandeelhouders in een naamloze vennootschap niet altijd dezelfde belangen hebben als de door die vennootschap uitgeoefende onderneming. Aandeelhouders hebben primair belang bij value for money. Zo kan het gebeuren dat een grootaandeelhouder op korte termijn een opwaardering van zijn aandeel nastreeft, en ter verwezenlijking van die doelstelling bereid is akkoord te gaan met forse premies voor bestuurders en andere verantwoordelijken.

Maar ook het omgekeerde is mogelijk: een aandeelhoudersvergadering, die bestuurders bij de vaststelling van hun beloningen afrekent op het feit dat zij in moeilijke tijden het langetermijnbelang van de onderneming hebben laten prevaleren boven de actuele waarde van het aandeel. En juist voor dat laatste mag men de komende jaren vrezen, waar een hele generatie analisten en vermogensbeheerders met geen ander beginsel dan dat van shareholders value lijkt te zijn grootgebracht.

Een ander bezwaar is dat het functioneren van de aandeelhoudersvergadering van beursfondsen een evenwichtige beslissing omtrent de beloning van de top op veel punten in de weg staat. Zo is er, behoudens bijzondere omstandigheden, maar eens per jaar een algemene vergadering van aandeelhouders, waarin ook over andere belangrijke zaken als de vaststelling van de jaarrekening en benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen moet worden beslist. Binnen het beperkte kader van zo'n vergadering zouden de aandeelhouders zich dan een afgewogen oordeel moeten gaan vormen over de beloning.

Echter, zij ontberen kennis en deskundigheid over de op de markt bestaande beloningsontwikkelingen, de beloningsstructuur binnen de onderneming en de bedrijfstak alsmede over de de prestaties van het bestuur. Wie zich inbeeldt dat de aandeelhouders ter plekke na een grondige discussie tot een zorgvuldige beslissing kunnen komen, heeft nog nooit een jaarvergadering van de aandeelhouders van een beursfonds bijgewoond.

Er kleeft nog een bezwaar aan het toekennen van een beslissende stem aan de aandeelhouders. Bij het vaststellen van de beloningen van het bestuur en het overige personeel is het van belang om goed in het oog te houden wat het financiële draagvlak van de onderneming nu en op termijn is, en wat uit oogpunt van concurrentieverhoudingen met binnen- en buitenland wenselijk en verantwoord is.

Tenslotte moeten bij de vaststelling van beloningen van bestuurders ook beslissingen worden genomen over de verdeling tussen vaste en variabele beloning en risicovrije en risicodragende beloning. Een keuze voor bepaalde beloningsvormen kan zelfs financiële voordelen voor de onderneming met zich meebrengen die zich niet direct in waardevermeerdering van het aandeel behoeven te vertalen.

Voor het zorgvuldig maken van dergelijke afwegingen staan de aandeelhouders veel te ver van de Naamloze Vennootschap af. Hoogstens zouden zij daarbij volledig kunnen varen op de raad van commissarissen, maar daarmee zou het voorstel van het kabinet weer terug bij af zijn. Daarmee komt meteen de vraag aan de orde, waarom het kabinet de beslissende stem niet bij commissarissen laat.

In het huidige wettelijk stelsel is de raad van commissarissen een bij de onderneming betrokken orgaan dat bij uitstek is aangewezen voor het toezicht houden op het bestuur. De kritiek van het kabinet en de vakbeweging op beloningen van topbestuurders impliceert dan ook in de eerste plaats kritiek op het functioneren van de raden van commissarissen bij beursgenoteerde vennootschappen. Het is dan ook merkwaardig dat het kabinet niet primair heeft gekeken hoe dat kennelijk tekortschietende toezicht zou kunnen worden verbeterd.

Dat is al merkwaardig omdat, ook binnen de twee paarse kabinetten – de afgelopen jaren het streven naar een goed functionerende corporate governance binnen de naamloze vennootschappen gemeengoed is geworden. Het wordt echter nog vreemder, wanneer men bedenkt dat de SER nog begin dit jaar op verzoek van het kabinet een uitvoerig advies heeft gegeven over – onder meer – het correctiemechanisme bij het slecht functioneren van een raad van commissarissen.

Het SER-advies behelst een moeizaam totstandgekomen compromis tussen werkgevers en werknemers over de wijze waarop een beter en evenwichtiger toezicht op het functioneren van de raad van commissarissen zijn beslag zou kunnen krijgen. De SER heeft een aantal voorstellen gedaan, die gericht zijn op een grotere betrokkenheid van de aandeelhouders en de ondernemingsraad bij de benoeming van commissarissen, en daarmee indirect ook het toezicht op de raad van commissarissen, onder gelijktijdige vervanging van het huidige systeem van coöptatie.

Daarmee heeft het kabinet al een voorstel in handen waarmee indirect het toezicht op beloningsstructuren – via de raad van commissarissen – verbeterd kan worden.

Maar afgezien daarvan rijst de vraag, waarom het kabinet, wanneer het deze kwestie zo belangrijk vond, niet aan de SER heeft gevraagd om in het desbetreffende advies expliciet maatregelen te noemen, die een betere controle op beloningen van het bestuur mogelijk zouden kunnen maken. Uiteindelijk is die controle immers, zoals minister Vermeend zelf in zijn brief van 17 augustus aan de Kamer stelde, primair een zaak van de werkgevers en werknemers zelf: zij zullen het binnen de vennootschap moeten oplossen.

Het is natuurlijk niet uitgesloten dat de premier met zijn slip of the tongue over exhibitionistische beloningen heimelijk een van overheidswege gecontroleerd loonbeleid voor topbestuurders beoogde. In dat geval is het door het kabinet voorgestane idee om de beslissende stem over bestuurdersbeloningen bij de aandeelhouders te leggen wel heel onwaarachtig.

Minister Vermeend zou dan namelijk moeten bestuderen of wetgeving mogelijk is die de bestuurdersbeloningen aftopt door de stijging daarvan te maximeren tot bijvoorbeeld een vast percentage van het bedrijfsresultaat. Of, nog dirigistischer, door de bestuurdersbeloningen onverkort te koppelen aan de algemene loontrends. Dat lijkt op een wel zeer kortzichtige uitwerking van het oud-Hollands principe dat van degene die boven het maaiveld uitsteekt het hoofd wordt afgehakt.

Mr. F.B.J. Grapperhaus is advocaat en lid van de redactie van het juridisch tijdschrift Ondernemingsrecht.