Doe wat uw hand te doen vindt

Het vrijheidsbeeld heeft een chador aan op de door Russische kunstenaars gemaakte foto die op de fototentoonstelling Noorderlicht in Groningen te zien is en die Trouw afgelopen zaterdag afdrukte. De sluier is in dezelfde kleur als het beeld, dat nu door de grof geweven gaatjes moet kijken en er uitgesproken onvrij uitziet. Ineens, door deze foto, vroeg ik me af wat dat vrijheidsbeeld eigenlijk voor een beeld is. Die triomfantelijke dame met haar fakkel wat heeft zij met vrijheid te maken? Ze is meer een triomfbeeld, vrijheid zoals fanatieke strijders zich die voorstellen, een bevrijding uit het knechtschap, van het juk dat bezetters en onderdrukkers opgelegd hadden. Maar vrijheid is zoveel ingewikkelder, zoals we bijna dagelijks merken. Ooit, toen ik een jaar of twintig was, zei ik tegen mijn moeder, die vertelde over wat je vroeger allemaal moest en niet mocht, dat die gebondenheid toch in zekere zin veel eenvoudiger was geweest. Zij wist tenminste hoe het hoorde. Ik niet. Ik kon kiezen uit van alles en nog wat, ik hoefde niet te trouwen en geen kinderen te krijgen als ik dat niet wilde, en ik moest zelf beslissen of ik het wel wilde zonder dat iemand van plan was mij te helpen. Ik verweet haar bijna mijn vrijheid.

Dat was onvolwassen, maar onbegrijpelijk was het niet. Vrijheid betekent dat we voortdurend moeten kiezen omdat niemand zegt hoe het moet, terwijl sommige keuzes bijna niet te maken zijn. Het is misschien ook wel daarom dat ik nog altijd een zekere jaloezie voel als ik mensen zie die een, in mijn ogen, `eenvoudig' leven leiden, dat wil zeggen een leven waarin het duidelijk is wat ze te doen staat. `Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat', die eenvoudige aansporing van de Prediker valt mij vaak zwaar. Ik weet niet wat mijn hand te doen vindt, mijn hand ligt nogal eens in mijn schoot terwijl ik tob over hoe het moet. Het is misschien ook daarom dat het samenvallen van bewustzijn en moment mij altijd zo wonderbaarlijk mooi voorkomt, de eenheid tussen de waarnemer en wat hem omringt, het eindelijk eens gevoelde besef dat het níet zo is dat hier mijn hoofd is en daar de wereld, maar dat ik deel uitmaak van die wereld. Sterker nog, dat ik ermee samenval. De dichter C.O. Jellema heeft daar mooi over geschreven: `hier ben ik en even geen/ denkwerk, zintuiglijker levend een/ waarheid, dit alles'. Hem lijkt het gelukt, maar even later staat er al `toch/ als gewoonlijk wint weer bewoording'. In die bewoordingen zegt hij desalniettemin hoe het lichaam gelijk werd aan het landschap.

In het kleine Griekse bergdorp waar ik twee weken verbleef leek niemand er moeite mee te hebben. Iedereen wist wat zijn hand te doen vond, de buurvrouw sproeide 's ochtends om zeven uur de vele planten die ze in potten op het hofje had gezet, omstreeks die tijd kwam ook de geitenhoeder voorbij met zijn klingelende en stinkende kudde. Hoor ik een geitenkudde dan denk ik altijd aan wat ik eens uitgelegd zag in het Museum voor Volksmuziekinstrumenten in Athene, namelijk dat de herder zijn kudde, dat wil zeggen de bellen ervan, afstemt. En zijn fluit stemt hij weer af op de geharmoniseerde kudde. En zo gaat hij door de bergen, met zijn eigen bescheiden geitenorkest, door niemand dan door zichzelf gehoord, in een benijdenswaardige harmonie. Zoals ook herders die van een dood schaap een doedelzak maken om daarmee in hun eentje de bergen te laten weerklinken wel degenen moeten zijn die weten hoe het moet, leven.

Maar zijn die mensen vrij? En kennen ze werkelijk die vrijwel mystieke eenheid die ik ze toedicht? In de vakantie zijn er veel momenten dat men helemaal in het heden is, maar of dat nu altijd momenten van harmonie zijn? Wie verdwaalt, die reflecteert niet meer, die zoekt naar een oplossing en is niets anders dan dat zoeken, maar dat is toch niet het nastrevenswaardige. Dat is eerder een bijna dierlijk bestaan, zonder bewustzijn van leven. Er is ook welbehagen in die vakantie-gedachteloosheid, zoals de helemaal lichamelijke sensatie van in het water liggen op een warme dag. Maar `vrij' is het denkelijk niet. Het is alleen maar leven.

Op de televisie was laatst te zien hoe Boudewijn de Groot sprak met de monniken van de Achelse Kluis, een trappistenklooster op de Belgische grens waar ik zelf vorig jaar ook een poosje geweest ben. Boudewijn de Groot was vooral geïnteresseerd in wat je allemaal `niet mocht' in een klooster: niet eruit, niet naar het museum, niet kiezen wanneer je opstaat of je moeder op je cel ontvangen. Hij zag onvrijheid. De abt sprak nu juist over de grote vrijheid die het kloosterleven opleverde door de overgave aan God. Toen ik hem sprak legde hij uit hoe men het werk moest aanpakken in het klooster: helemaal één zijn met datgene wat je deed, als het ware de voorwerpen worden die je verplaatst of gebruikt. En altijd weer, zeven keer per dag, bidden en psalmen zingen. Zodat het samenvallen met het werk geen onbewust leven is, maar juist een hyperbewust leven, voortdurend in een groter perspectief geplaatst.

Het is zeker niet wat je denkt bij `helemaal vrij', maar misschien bestaat helemaal vrij wel niet. Betekent `vrij' nu juist dat we ons bewust zijn van onze bindingen, maar dat we die aanvoelen als zelf gekozen, elke dag opnieuw, in alle vrijheid. Is het onvrije juist als je geen vrede weet te verwerven met het leven zoals het is, of als je steeds weer op elke impuls van buitenaf wilt reageren, of als je niet kunt kiezen uit de mogelijkheden en daarom niet weet wat je te doen staat. Misschien betekent vrijheid dat wel, dat er niet alleen keuzes zijn, maar dat je ook weet hoe daarvan gebruik te maken. Ben je vrij als je helemaal bent waar je bent en weet dat dat is waar je wilt zijn. Geen `heimwee naar het heden', geen gecultiveerde besluiteloosheid. Zelfgekozen gebondenheid, meer vrijheid is er misschien niet te bereiken.

Het vrijheidsbeeld lijkt geen verbeelding van díe vrijheid. Maar nu het die sluier om heeft misschien toch. Nu denkt het na.