De runderpest in de Nederlanden

Massale veesterfte is van alle tijden. In het boek Exodus is het de vijfde plaag die Mozes over de Egyptenaren afriep. Sindsdien storten historische bronnen een onafgebroken stroom dode paarden, koeien, varkens en kippen over de lezer uit. Wil een veeziekte een epidemie aannemen, dan zijn er twee dingen nodig. Er moet binnen een klein gebied een grote populatie dieren geconcentreerd zijn én er moeten regelmatig veetransporten plaatshebben. Dit bleek weer eens bij de recente uitbraken van varkenspest en MKZ.

Door de toename van de stedelijke bevolking ontstond er in de zeventiende eeuw in Holland een gebrek aan slachtvee. Om in deze behoefte te voorzien, kwamen er in Europa enkele cattle drives op gang. Een daarvan liep van Zuid-Zweden en Denemarken naar de Nederlanden. Per jaar ging het om het transport van zo'n 60.000 levende slachtossen (dat vlees laat zich het best inzouten).

Deze dieren droegen behalve hun vlees en huiden ook ziekten met zich. Vanaf 1709 rukte er langzaam een dodelijke rundveeziekte op van Oost- naar West-Europa. In Nederland woedde de veepest in de jaren 1713-1720, 1744-1765, 1768-1786, 1813-1814 en 1865-1867. Vooral tijdens het eerste jaar van een uitbraak kon de sterfte oplopen tot 70 procent van de totale veestapel. Naar schatting stierven alleen al tijdens de 18de eeuw in Europa 200 miljoen runderen aan veepest. Ter vergelijking: nu zijn er in Nederland ongeveer vier miljoen stuks rundvee.

De runderpest is een uit Azië afkomstige virusziekte. De pestis bovina breekt vier tot zeven dagen na de besmetting uit en eindigt meestal binnen tien dagen met de dood. Het besmette vee heeft hoge koortsen, etterachtige ontstekingen en bloederige afscheidingen.

Tegen de veepest was weinig te doen. Zowel de huid, het vlees, de melk als de mest van zieke dieren bleken besmettelijk. Ook pas gestorven dieren of ogenschijnlijk gezonde exemplaren konden de besmetting overbrengen. De vrees voor de ziekte was groter dan de kennis ervan. Veel tijdgenoten spraken dan ook van `Gods Roede' of van de `Wrake Gods'. Hoewel er al in de achttiende eeuw bescheiden successen met inentingen geboekt werden (vooral de methode van de Groninger boer Geert Reinders bleek onder bepaalde omstandigheden effectief), was er maar één remedie die echt werkte: het massaal slachten van vee.

Al in 1714 een jaar na haar intrede in West-Europa hadden de Italiaanse geleerde Lancisi en de Engelsman Bates het met elkaar samenhangende principe van afslachten enerzijds en financiële compensatie anderzijds nader uiteengezet. Hun systeem werd met succes in de achttiende eeuw al toegepast in Denemarken, de Zuidelijke Nederlanden, Groot-Brittannië en in de Pauselijke Staat, waar een relatief sterke centrale overheid haar wil kon opleggen. De verschillende gewesten in onze republiek konden echter maar niet tot overeenstemming komen. Daardoor duurden de pestgolven hier langer dan in het buitenland.

In december 1813 werd in Utrecht veepest geconstateerd bij drie koeien die door de Pruisische troepen werden meegevoerd. De ziekte verspreidde zich snel. Koning Willem I reageerde meteen. Conform de wet van 1799 werden maatregelen genomen. De stad werd afgesloten en geen vee mocht Utrecht verlaten. Zieke beesten werden afgemaakt en begraven. Armen mensen kregen het vlees van gezond vee dat met de zieke beesten in aanraking was geweest.

Ondanks deze voorzorgsmaatregelen verspreidde de veepest zich in een kleine kring rondom de Domstad, maar op 1 mei 1814 was alles onder controle. Vijftig koeien waren aan de pest gestorven en driehonderd runderen waren van op last van de overheid afgemaakt, waarvoor de eigenaren schadeloos gesteld werden. Ondanks de chaos in Nederland tijdens de terugtrekking van de Fransen, kon de Nederlandse regering tevreden zijn over de wijze waarop de veepest onder controle was gebracht.

Een halve eeuw later reageerde de overheid geheel anders. Begin augustus 1865 werden in Kethel, nabij Schiedam, de eerste besmettingsgevallen geconstateerd. De ziekte was overgebracht door twintig ossen die bestemd waren voor de Londense veemarkt. Bij terugkomst in Nederland bleken zes dieren ziek, maar niemand dacht aan runderpest. De ziekte kon zich dan ook ongehinderd verspreiden.

Terwijl enkele kranten aandrongen op krachtige maatregelen, aarzelde de regering. Pas op 25 augustus kreeg de Rijks Veeartsenijschool opdracht een onderzoek in te stellen. Aan het eind van de maand volgde de diagnose: rundertyphus. Een massale liquidatie van besmet vee werd niet nodig gevonden. Producten als vlees, vet en huiden bleven bruikbaar, mits de dieren in een vroeg stadium van de ziekte geslacht waren.

De Minister van Binnenlandse Zaken, J.R. Thorbecke liet de uitvoering van de te nemen maatregelen over aan provinciale en lokale autoriteiten. Spoedig bleek dat de gemeentebesturen hierin ernstig tekort schoten. Het toezicht ontbrak omdat er te weinig politie was. Verder kon het besmette vee niet worden afgemaakt omdat de financiële middelen voor onteigening ontbraken. Bovendien hadden in veel plaatsen met runderpest de verantwoordelijke gezagsdragers zelf belangen in de veehouderij en liepen voorop bij het ontduiken van de richtlijnen. Zo werd op 1 juni 1866 in Benschop tijdens een patrouille een wethouder, die zich in het struikgewas verborgen hield en weigerde zich bekend te maken, door militairen doodgeschoten. En er waren natuurlijk de malafide veehandelaren en smokkelaars die voor een vergoeding ƒ2,50 per koe en ƒ1,50 per kalf de dieren uit het besmette gebied smokkelden.

Er was een kabinetscrisis voor nodig voordat de regering het roer omgooide. De conservatief J. Heemskerk, de opvolger van Thorbecke, stond voor de moeilijke opgave om zonder de boeren al te zeer tegen zich in het harnas te jagen de veepest met krachtige maatregelen aan te pakken. In de loop van 1867 werd de epidemie geleidelijk aan bedwongen. De invoering van een premiestelsel was daaraan overigens niet vreemd. Ambtenaren ontvingen een premie van vijf gulden (toen een modaal weekloon) als er een illegaal veetransport onderschept werd.

Toen de balans werd opgemaakt, bleek dat er 114.953 runderen waren doodgegaan of afgemaakt. De terughoudende opstelling van de rijksoverheid en het onvermogen en onwil van de gemeentebesturen had de veestapel onnodig veel schade toegebracht. Het lijkt erop dat minister Brinkhorst uit de gebeurtenissen van 1865-1867 lering heeft getrokken.

Philip Kuypers en Ronals van der Wal. `Actueel dossier: het zieke vee'. Spiegel Historiael, 32 (1997).