Boven het dal

Ons huis in Zwitserland ligt op zo'n 1.200 meter hoogte. In de diepte tussen de bergen ligt de Rhône die als een glinsterend lint door zijn oorspronkelijke bedding stroomt richting Sierre en Sion. Het uitzicht verandert met het weer. Het raamkozijn vormt de lijst van een schilderij waarop voortdurend iets wordt gewijzigd: Bilder einer Ausstellung.

Ergens beneden in het Franstalige Sierre woonde de Duitse dichter Rainer Maria Rilke, voordat hij zich voor de laatste vijf jaar van zijn leven een steenworp hogerop terugtrok in een Reviaans landgoed tegen de berghelling richting Montana. Daar, in Muzot, schreef hij behalve brieven, vooral Franse gedichten. De Quatrains valaisans en de cycli Les Roses en Les Fenêtres. Om door te dringen in het Walliser leven van Rilke daal ik de berg af, het dal in.

Voorbij de `Rue R.M. Rilke' in Sierre bevindt zich de lokale boekhandel, waar bij Deutsche Bücher slechts twee titels van Rilke enigszins verloren op een plank staan. ,,Is dat alles?'' vraag ik het meisje bij de kassa. ,,Weet u dat hier vlakbij het Rilke Museum is?'' zegt ze verontschuldigend. ,,Daar hebben ze alles van Rilke.''

Als ik in het museum mijn entreekaartje heb betaald, vraagt `Frau Meier' belangstellend of ik misschien iets over de dichter wil weten. Specifieke vragen heb ik niet, het lijkt mij gewoon aardig iets te zien over Rilke hier in Wallis. ,,Juist'', zegt ze enigszins teleurgesteld. ,,Door de gang links, daar begint de tentoonstelling'', vervolgt zij na een korte stilte. ,,In 1921 verbleef hij in het Belle Château, nu Hotel de Ville...'' Ik maak een afwerend rgebaar en knijp mijn ogen geruststellend toe. Ik kom er wel uit, wil ik zeggen en loop de gang in.

Er is niemand in deze eerste zaal, die de grootte van een woonkamer heeft. Aan de wanden hangen foto's, gedichten, kopieën van handschriften. Opgenomen door de stilte droom ik even weg bij een houten planchet met kwast en scheermes van de dichter. Ik zie hoe hij met korte bewegingen geconcentreerd het mes langs zijn snor beweegt... ,,Heeft u misschien iets te vragen?'' haalt Frau Meier mij niets ontziend uit de droom. Ik probeer vriendelijk te blijven en zeg iets over de snor van Rilke. Dat had ik niet moeten doen.

Zij laat me een foto aan de wand zien. ,,Op het etalageraam van deze kapperszaak las Rilke de advertentie, waarop stond dat er in Muzot een Château te huur was. Maar hij had weinig geld. Zijn vriendin Baladine Klossowska wist hem over te halen het toch te huren. Later betaalde mecenas Werner Reinhart de huur voor hem...''

Door een deuropening stap ik de tweede zaal binnen. Op een laag tafeltje staat een `Lampe à l'huile' met groene glazen kap. Links erboven hangt een uitvergroting van een aquarel met dezelfde voorwerpen, geschilderd door Merline, zoals Rilke zijn vriendin noemde. Zijn werkkamer was op de eerste verdieping van het huis. Aan de wand foto's van het huis in Muzot. Een raam in de zijmuur onder trapgevel... ,,Heeft u het gastenboek al gezien?'' klinkt de stem van Frau Meier treiterend.

Er is geen ontkomen aan. Ik laat mij meevoeren naar de hoge lessenaar met het gastenboek. ,,U moet namelijk weten dat hij altijd staande schreef.'' Zij bladert door het gastenboek, priemt haar vinger op het sierlijke handschrift van Paul Valéry. Zij zwijgt na een vergeefse poging mij een vraag te ontlokken, en loopt terug naar de balie.

Ik sluip terug naar zaal drie. In een vitrine ligt het fotoportret van een mooi Indisch meisje. Een kaartje vermeldt haar naam: Wera Ouckama Knoop. Tussen haakjes de jaartallen 1900-1919. Negentien jaar! Opnieuw kijk ik naar haar meisjesgezicht, haar mooie ogen...

,,Aan haar heeft Rilke zijn Sonette an Orpheus opgedragen.'' Mijn blik blijft op het meisje gericht, maar Frau Meier is niet uit het veld te slaan: ,,Een Hollandse naam, Knoop, nietwaar. Kijk'', wijst Frau Meier en ik lees dat Rilke de sonnetten `im februar 1922' in Muzot heeft geschreven als Grabmal voor het jonggestorven meisje.

Willoos laat ik mij aan de arm van Frau Meier meevoeren naar de balie. Ze praat en praat: ,,O, er is nog zoveel te vertellen.'' Ik moet zeker contact opnemen met Henri Gaspoz, eertijds de `Botenjunge' van Rilke. Hij is 89 jaar, woont in Sion, en is nog scherp van geest. Zij schrijft zijn adres en telefoonnummer op, terwijl ze vertelt dat hij de opdrachtgever is geweest voor het borstbeeld in het stadsperkje.

Het blijft stil als ik in de zwoele namiddag over de `Promenade de R.M. Rilke' langs de wijnranken aan de voet van het huis van de dichter slenter onder een dreigendzwarte onweershemel. Ik kijk op naar het huis en herken het raam op de eerste verdieping onder de trapgevel. Dichter bij het huis ruist een beek. Verder is het stil. De nieuwe eigenaar van het huis houdt het hek stevig op slot.

Na zijn dood wilde Rilke ten oosten van zijn woonstee in Raron worden begraven. Boven het dal. Het graf ligt hoog tegen een kerkje. Vanaf deze verstilde rustplaats is het dal te zien en de Rhône die in de verte laag tussen de bergen in het westen verdwijnt als een rivier `die nirgendwo hinführt.'