Tegen het doemdenken

In zijn spraakmakende boek `The Skeptical Environmentalist' stelt de Deense statisticus Bjørn Lomborg dat het allemaal niet zo'n vaart loopt met het milieu. Daar valt het nodige op af te dingen.

Het gaat helemaal niet slecht met het milieu, het gaat juist heel erg goed. Al het doemdenken van de afgelopen decennia was voor niets en diende alleen de verkoop van kranten en de kas van de milieuorganisaties. De mensheid heeft er nog nooit zo goed voorgestaan als nu en het wordt nog steeds beter.

Dat is kort samengevat, maar zonder al te veel overdrijving, de strekking van `The skeptical environmentalist' van de Deen Bjørn Lomborg dat nu al wekenlang the talk of the town is. Het boek kwam pas vorige week uit, maar dat was voor de New York Times, de Economist en onze eigen Vrij Nederland (die haastig een stuk uit een Belgisch blaadje overnam) geen beletsel Lomborg al veel eerder in te halen als de man die eindelijk zegt waar het op staat: de keizer heeft geen kleren aan. Niets van al die griezelige voorspellingen is uitgekomen.

Maar wie ìs in hemelsnaam Bjørn Lomborg, vraagt de geschrokken lezer. Dat wist men tot voor kort alleen in Denemarken. Lomborgs dikke pil beschrijft hem als voormalig Greenpeace-lid, maar bij Greenpeace kan men zich zijn lidmaatschap niet herinneren. ``Misschien was hij donateur', zegt een woordvoerder welwillend. In ieder geval is hij ook `associate professor' in statistiek aan de Universiteit van Aarhus en geeft hij als zodanig onderwijs aan politicologen.

Ook was Lomborg altijd erg met het milieu begaan en nam hij zich op zeker moment voor de vermaledijde Amerikaanse econoom Julian Simon, die een strijd voert tegen doemdenken, eens goed aan te pakken. Hij verdiepte zich in diens argumenten en ontdekte toen dat de man gelijk had. Zo is het allemaal gekomen. Nu is er dat dikke boek dat oogt als een handboek, uitgegeven door Cambridge University Press en voorzien van 2930 noten. Niets is niet gedocumenteerd.

Waar gaat het over? Niet alleen over het milieu, om te beginnen, maar ook over de toestand van de mens: zijn levensverwachting, voedsel-, drinkwater- en grondstoffenvoorziening, educatie, kindertal, noem maar op. De brede combinatie is die van het bekende `The limits to growth' van de club van Rome (1972) en `Our common future' van de wereldcommissie (1987). Lomborgs boek is als het ware de derde aflevering in de reeks en gelijk het sluitstuk: hoe het weer goed kwam met het milieu.

Bij nader inzien gaat Lomborgs boek niet zozeer over de feitelijke toestand van milieu en mens, maar vooral over de wijze waarop daarover gecommuniceerd werd en wordt door milieuorganisaties, politici en enkele verdwaalde wetenschappers die laatsten worden door hem overigens altijd met grote omzichtigeid behandeld. In feite beweert Lomborg niet dat het weer goed kwam met het milieu, maar dat er eigenlijk nooit veel aan de hand is geweest. En als er wel iets mis was, dan was dat al eeuwen zo. In zijn wigwam ademde de Amerikaanse Apache meer rook en vuile lucht in dan de Londenaar in de jaren vijftig. De inboorlingen van Polynesië hebben, lang voor Christus, meer zeldzame vogels om zeep geholpen dan wij vandaag nog in een mondiaal gecoördineerde actie voor elkaar zouden krijgen.

`The skeptical environmentalist' is Lomborgs afrekening met Greenpeace, het Wereld Natuur Fonds en vooral het Amerikaanse Worldwatch Institute van Lester Brown. Dat instituut, gevestigd in Washington, produceert ieder jaar het rapport `State of the world' waarin in almaar schrillere termen de ondergang van de wereld wordt beschreven. Amerikaanse politici schrikken er elke keer opnieuw van, maar in Europa heeft het WI nooit veel gezag verworven.

Lomborg laat zien hoe milieuorganisaties en politici, en ons eigen ministerie van VROM is bepaald geen uitzondering, geregeld doordraaiden met hun cynische instelling dat het doel de middelen heiligt (`scare them to death!'). Hoe ze knoeiden met statistiek, hoe vergissingen en overdrijvingen nooit meer worden hersteld en een eigen leven gaan leiden. Hij had er kennelijk een knipseldoos van bijgehouden en geeft prachtige en heel nuttige voorbeelden. Het kan, in wat beknoptere vorm, heel bruikbaar zijn voor een cursus wetenschapsjournalistiek.

DOMINEES Belangrijker is natuurlijk de vraag of Lomborg ons ervan kan overtuigen dat het werkelijk zo'n vaart niet loopt met dat milieu. En in zekere zin kàn hij dat, al dankt hij veel aan die merkwaardige scheiding tussen `natuur' en `milieu' die politici net zo goed uitkomt als dominees de scheiding van lichaam en geest. Het oppervlaktewater wordt schoner, de ozonlaag gaat niet verder achteruit, stadslucht is minder vuil dan vroeger, de zure regen was zo zuur niet en het woud sterft niet. In feite weten wij hier in Nederland al sinds 1988 dat het weer de goede kant op gaat, met `met name lucht en water'. Het RIVM rapporteert erover in objectieve termen. Het milieu wordt steeds beter, van de natuur resteert slechts een bloempot vol Schotse hooglanders. Dat het milieuherstel vaak juist te danken was aan wetenschappers en milieuactivisten die op tijd alarm sloegen, kan Lomborg maar moeilijk over de lippen krijgen. Liever smaalt hij dat Rachel Carsons `Silent spring' er nooit gekomen is dan dat hij toegeeft dat haar waarschuwing tegen persistente bestrijdingsmiddelen destijds (1962) op het goede moment kwam. Wat de aantasting van de ozonlaag betreft concentreert hij zich liever op de hysterische voorspellingen die door sommige verontrusten werden uitgesproken dan dat hij toegeeft dat de komst van het Montreal protocol een `narrow escape' was. Hij vindt het van meer belang uit te rekenen hoe onbetekenend eigenlijk de huidige, nog bestaande uitdunning van de ozonlaag is. Lomborgs grote gelijk op een aantal punten is met hem aan de haal gegaan. Als hij uitputtend heeft gehoond op politici en wetenschappers die zich ten onrechte (naar achteraf bleek) vreselijke voorstellingen maakten van de effecten van zure regen kan hij het niet laten de bezorgheid over industriële luchtvervuiling maar helemaal als overdreven weg te blazen. Toch hing de sterfte van epifytische korstmossen en de verzuring van Scandinavische meren destijds rechtstreeks samen met industriële luchtvervuiling. Bepaald trots is Lomborg op zijn ontdekking dat het bosareaal op aarde, anders dan milieuorganisaties en Lester Brown tot dusver beweerden, helemaal niet wezenlijk daalt. De verwoestingen aan de evenaar worden in vierkante kilometers gecompenseerd door het verantwoord bosbeheer in het noorden en voor Lomborg is daarmee de kous af. Van de prehistorische aardse bosbedekking is nog 80 procent over, heeft hij ergens opgescharreld, en van het Amazone-woud is pas 14 procent verdwenen en wat is nu 14 procent. Er is geen hoofdstuk waarin hij niet die toon van de gezond-verstand-krant aanslaat. Toch is het bepaald niet vervelend om `The skeptical environmentalist' door te werken. Uit zijn knipselarchief stelde Lomborg een boeiende compilatie van vluchtige milieumodes, onheilstijdingen en waanideeën samen en af en toe is hij werkelijk geestig. Veel nieuwe gezichtspunten heeft hij niet te bieden, maar het is nuttig om te zien wat hij en zijn geestverwanten allemaal nog aan debating trucs achter de hand hebben: chaos scheppen, relatieve en absolute veranderingen door elkaar husselen, ostentatief het gelijk binnenhalen op een ondergeschikt punt, gretig misbruik maken van een vergissing of een uitglijder van de opponent, onzuivere vergelijkingen trekken, het citeren van `gezaghebbende' maar totaal obscure wetenschappers, enzovoort.

BAGATEL Aan de manier waarop Lomborg in minder dan tien bladzijden het uitsterven van planten en dieren en het verlies van biodiversiteit als een bagatel af doet kunnen de critici van het Heidelberg Appeal nog een puntje zuigen. Er zijn nog nooit zoveel soorten geweest als vandaag, houdt de Deen ons voor. 3,5 Miljard jaar geleden had je hier niet één soort en toen hoorde je ook niemand klagen. Zo'n meteorietinslag, dat was pas erg, of anders de ijstijden wel en zelfs de hunebeddenbouwers lieten al soorten uitsterven. Uitsterven is doodnormaal, dieren proberen elkaar voortdurend te laten uitsterven. En wat is er au fond zo gewenst aan biodiversiteit? Zijn alle soorten even belangrijk? Moeten we aarsmaden ook beschermen als ze uitsterven? Mogen wij Brazilianen verbieden hun regenwoud te verwoesten als wij in Europa al onze oerbossen hebben gekapt? Een man met zo'n overtuigingskracht kan je overhalen je hond te verkopen aan een worstfabriek. De komende weken en maanden zal blijken of en hoe Lomborgs knipseldoos in een behoefte voorziet. Binnen het wetenschappelijk corps van zijn eigen universiteit heeft de statisticus zich niet populairder gemaakt. Na het verschijnen van de Deense versie van zijn boek, in 1998, brachten de verontruste hoogleraren hun kanttekeningen samen op de site www.au.dk/ ~cesamat/debate.html. Die is de moeite waard.

Bjørn Lomborg. `The Skeptical Environmentalist: Measuring the Real State of the World'. Cambridge University Press, geïll., 515 blz. Prijs: $24.95. ISBN 0-521-01068-3.