Land mag water niet blijven verdringen

Het Nederlandse landschap heeft de afgelopen eeuwen een grote verandering ondergaan, niet in de laatste plaats omdat het water geen ruimte kreeg ten koste van het land. Aan die situatie moet een einde komen omdat water een belangrijke rol vervult in het leefbaar houden van Nederland, meent Jan Kooijman.

Land en water: ze worden vaak in één adem genoemd alsof beide gelijkelijk gewaardeerd worden. Niets is minder waar. Kijk naar Engeland, Duitsland, Nederland – allemaal gebiedsnamen met het woord land erin. Dat slechts over land wordt gesproken, terwijl er toch ook water is, kun je voor de gebieden om ons heen wel begrijpen, want het water beslaat slechts een klein deel van hun oppervlak. In Nederland was dat destijds anders.

Nederland bestond uit twee gelijkwaardige elementen: land en water. Grote rivieren leidden regen- en smeltwater naar de zee, die tegenspel leverde door met vloed het land binnen te trekken en met eb weer terug te gaan. Zo ontstond een gebied, een waterland, waarin de twee elementen elkaar redelijk in evenwicht hielden. De hogere stukken land bleven droog, de lagere liepen met vloed onder.

Ingrijpen van de mens bracht regularisatie. Er werden dijken gebouwd. Het waterelement werd door het land beteugeld terwille van veiligheid en economie. Er kwamen dammen voor betere landverbindingen. Bij de inperking van het water is maar zelden maat gehouden. De rivierbeddingen werden steeds nauwer, de dijken steeds hoger. Bij de inpolderingen werd zoveel mogelijk land `gewonnen' en werd aan het water zo weinig mogelijk ruimte gelaten.

De vraag rijst hoe het mogelijk is dat het land het water zo rigoureus heeft kunnen beknotten. In Nederland wonen twee soorten mensen: boeren en schippers. Mensen, die het meest gebonden zijn aan het land of aan het water. De meerderheid bepaalt wat er gebeurt. En die meerderheid is `boer'. De boer, of hij nou bakker is, minister of onderwijzer, ziet het nut en de schoonheid van het water niet. Voor hem is water een overbodig element.

Ook minister Pronk besteedt in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening te weinig aandacht aan het water als zelfstandig ruimtelijk element. Dat is jammer want het betekent dat de tweevoudige `landschappelijke' basis van Nederland onvoldoende wordt onderkend. Het is tevens verwonderlijk, omdat er signalen zijn dat in de bevolking een nieuw besef gloort over de waarde van het water.

Het water zal, zo redeneert men, meer ruimte moeten krijgen, wil het niet over het land uitstromen.

Het water kan, zo redeneer ik op mijn beurt, een belangrijke rol vervullen in het leefbaar houden van Nederland. Dan moet wel een aantal mogelijkheden worden benut.

Ontpoldering. Het is voor verschillende locaties al jaren geleden voorgesteld, onder meer bij Heerenveen en Workum, maar door tegenstanders verhinderd. Misschien is de tijd rijp om het opnieuw te proberen.

Er is angst dat (leef- en woon)ruimte verloren gaat. Dat is de vraag. Projectontwikkelaars zullen bij zo'n meer graag willen bouwen. Wanneer ze dat niet rechtstreeks aan de meeroever doen, maar aan vaarten en uitlopers daarvan, kan het aanvaardbaar zijn. Het water kan de recreatie en het toerisme bevorderen, wat economisch op veel plaatsen ongetwijfeld gunstiger zal zijn dan de tegenwoordige landbouw en veeteelt.

Ongelijkvloerse kruising van land- en waterverkeer. Wachtende auto's voor openstaande bruggen geven verkeersoponthoud en ergernis. Er zijn berichten dat Friesland aanstalten maakt het probleem aan te pakken door bij de Galamadammen een tunnel te maken. Hopelijk gaat het door. Zo onstaat een groter ongedeeld wateroppervlak en het land- en waterverkeer worden van elkaar gescheiden.

Kleine kanalen en watertjes: Veel kleine vaarwegen hebben hun aansluiting met de grotere vaarwaters verloren door het aanbrengen van dammen of zelfs nog radicaler door dempen. Zij vormden vroeger een belangrijk onderdeel van het vaarwegennet dat een aanzet is geweest tot de Nederlandse welvaart. De landelijke ruimte zal ermee gediend zijn indien deze, waar mogelijk, weer bevaarbaar zouden worden door het openmaken van de verbindingen. Voor het open en bevaarbaar maken van diverse vaarverbindingen hebben de watersportorganisaties lange lijsten, die de watersport ten goede zouden komen. Maar het is niet in de eerste plaats het watersportbelang dat telt, maar het ruimtelijk karakter van Nederland.

Zand- en grindwinningen: Vanuit de locaties waar zand- of grindwinningen staan te gebeuren hoort men geluiden zoals: water is verwerpelijk, water is waardeloos. Zelfs de aloude heroïsche strijd tegen het water wordt weer van stal gehaald, terwijl méér water de veiligheid juist doet toenemen. Ook realiseert men zich blijkbaar niet dat voor het land iets waardevols terugkomt.

Randstad: Het meest knellende probleem zit natuurlijk in de Randstad. Onlangs werd bekend dat waterschapsinstanties bezig zijn met plannen om delen van polders in Zuid-Holland onder water te zetten ter beheersing van de waterstand. Dat is een goede zaak maar het plan is ruimtelijk gezien pas compleet wanneer de ontstane plassen onderling en met andere plassen worden verbonden door bevaarbare waterlopen.

Nieuwe bruggen: Nederland is, het kan niet anders, vergeven van bruggen en sluizen. Echter, in de nabije toekomst moet hun aantal zo klein mogelijk zijn en mogen zij niet onnodig hinderlijk zijn.

Ook lawaai, snelheid en golfslag van snelle motorboten en speedboten maakt de beschikbare ruimte kapot. Het Nederlandse water is te kleinschalig voor dat soort bezigheden. Bewoners aan de Vinkeveense plassen protesteren terecht tegen het voorstel voor een speedbotenbaan. De wethouder die het voorstel steunt, heeft er niets van begrepen. Er gaan volgens hem vele makke schapen in een hok, maar een speedboot is geen mak schaap. Friesland, waar men meer van water afweet dan in Vinkeveen, heeft het varen met snelle boten beter beteugeld.

Het is niet te hopen dat in het IJsselmeer nieuwe polders komen. Mocht dat wel het geval zijn, laten het dan in vredesnaam eilanden zijn, die rondom door voldoende water van het oude land gescheiden zijn en laten de onderlinge verbindingen geen bruggen zijn, maar tunnels.

Het valt daarentegen wèl te hopen dat milieuorganisaties meer aandacht gaan schenken aan het water als zelfstandig, belangrijk, element. Het gaat immers om het basiskarakter van het Nederlandse gebied. Een zaak derhalve van de eerste orde, die ver uitstijgt boven de deelbelangen van natuurbehoud.

Want ook aan een derde groep Nederlanders, naast boeren en schippers, moet recht worden gedaan: aan hen voor wie land en water gelijkwaardige grootheden zijn. En om dìe Nederlanders gaat het uiteindelijk.

Mr. J.W. Kooijman is publicist.