Humanistische bronnentuin

Wie tegenwoordig de Leidse universiteitsbibliotheek binnenstapt, betreedt een boekenmastodont met warme lichtkoepels, gaanderijen die tot flaneren noden, knus weggestopte leeszaaltjes, ondergrondse depots en een geklimatiseerde kluis vol unieke bronnen waaraan de bibliotheek haar faam dankt. `Doorschrijdbaarheid' was de gedachte achter het in 1983 in gebruik genomen complex en inderdaad: je kunt tussen de vakstudiezalen vrij rondlopen zonder op tussenschotten te stuiten. Geregeld zijn geleerde bezoekers hopeloos de weg kwijt.

In 1575 lag dat anders. Nadat op 8 februari de Leidse universiteit geboren uit de opstand tegen de Spanjaarden geopend was, kwamen de curatoren al snel met de wens tot een eigen bibliotheek in de onmiddellijke nabijheid van de collegezalen. Het eerste boek werd in de loop van 1575 geschonken door Willem van Oranje: de Polyglotbijbel, met de tekst van de Schriften in zowel het Hebreeuws, Aramees, Grieks als Latijn. Hij was door Christoffel Plantijn in Antwerpen gedrukt, nog wel in opdracht van koning Philips II van Spanje. De bijbel draagt een inscriptie die duidelijk maakt dat de nieuwe universiteit en haar bibliotheek zichzelf zagen als een Praesidium Libertatis, een plaats waar men zonder beperking naar kennis kon zoeken, een bolwerk van vrijheid. De traditie waartoe men zich bekende was niet calvinistisch maar uitgesproken humanistisch.

Over de geschiedenis van de Leidse universiteitsbibliotheek heeft Christiane Berkvens-Stevelinck, verbonden aan het aan de bibliotheek gelieerde Scaliger Instituut en hoogleraar Europese cultuur aan de universiteit van Nijmegen, een jubileumboek geschreven: `Magna Commoditas' (groot gemak). De titel verwijst naar een uitspraak over de bibliotheek door Josephus Justus Scaliger, een van de beroemdste geleerden uit de 17de eeuw en door Janus Dousa, curator van de Leidse universiteit en van 1585-1593 de eerste bibliothecaris, naar Leiden gehaald. Het is een fraai geïllustreerde uitgave geworden het leesbare gedenkboek kan zo op de salontafel.

Een bonte stoet geleerden trekt voorbij en aan de hand van alle bibliothecarissen zien we de collectie groeien tot de huidige omvang van twee miljoen boeken, 50.000 tijdschriften (waarvan 4000 in digitale vorm) en een uitgebreide verzameling handschriften, brieven, kaarten en prenten. Jammer is dat relatief weinig vergelijkingen met andere bibliotheken zijn getrokken.

Het eerste onderkomen van de Leidse bibliotheek was de gewelfkamer van het Witte Nonnenklooster aan het Rapenburg (het huidige Academiegebouw), waar nu het Academisch Historisch Museum is gevestigd. Pas in 1587 werd de ruimte betrokken. Niet alleen was hij direct te klein, ook bedreigde er vocht mens en boek. In 1595 verhuisde men naar de bovenverdieping van de Faliede Bagijnkerk, naast het theatrum anatomicum. Daar stonden plutei, vaste kasten met een rij geketende en ondersteboven geplaatste boeken die eenvoudig op de lessenaar te kantelen waren. Er was gekozen voor de klassieke ordening: eerst theologie, dan rechten en geneeskunde, en vervolgens geschiedenis, filosofie, rekenkunde en letteren. Ter gelegenheid van de verhuizing verscheen de eerste gedrukte catalogus, de Nomenclator. Hij bevat 442 titels (en ongeveer 525 banden). Een flink deel was afkomstig uit het legaat-Holmannus en ook waren veel boeken en handschriften gekocht van de hoogleraar Vulcanius. De collectie kan gezien worden als de algemeen geldende basisvoorziening die in de late Middeleeuwen en in de Renaissance voor het verwerven van kennis onontbeerlijk werd geacht. Van de boeken uit de Nomenclator zijn er inmiddels vele verdwenen: tot in de 19de eeuw was het de gewoonte om zodra een nieuwe editie van een boek binnenkwam de oude weg te doen.

Een universiteitsbibliotheek is er om boeken (en handschriften) te verwerven, te conserveren en aan geleerden en studenten ter beschikking te stellen. In 1595 werden voor het eerst richtlijnen voor het gebruik van de bibliotheek opgesteld. Er golden strenge toegangsregels, maar ter promotie kregen vele vooraanstaande personen en instellingen uit de Republiek de beschikking over een sleutel van de deur. Voor studenten was niets geregeld. Zij verschaften zich daarom zelf maar toegang tot de bibliotheek, door de sleutels van hoogleraren te lenen en deze na te laten maken. Twee jaar na de opening in 1595 was de ordentelijke bibliotheek veranderd in een chaos: boeken slingerden rond, werden ontvreemd of raakten beschadigd. Curatoren zagen zich genoodzaakt radicaal in te grijpen door alle sloten te vernieuwen en alleen de bibliothecaris de beschikking over sleutels te geven. Maar allengs verslapte dit strikte beleid en in 1605 werd de bibliotheek voor studenten gesloten, een situatie die een kwart eeuw zou duren.

In 1653 werd de geketende boekerij vervangen door een muurbibliotheek waarin de boeken los in hoge kasten langs de wanden stonden. Vóór die kasten stond een laag hek. De lezer moest de custos vragen het gewenste boek aan te reiken. Bovendien was de bibliotheek alleen op woensdag en zaterdag een paar uur open. Pas onder Jacob Geel, bibliothecaris van 1833 tot 1858, ging het roer om. De bibliotheek had inmiddels een grotere behuizing gekregen die door hoogleraren en studenten elegant en praktisch werd bevonden. Studenten kregen van Geel alle ruimte en wie op bezoek kwam werd keurig ontvangen. Toen de schrijfster A.L.G. Bosboom-Toussaint in 1850 vroeg of de Leidse bibliotheek bronnen over Hugo Donellus bezat, liet Geel haar per kerende post weten dat hij alle archieven die haar zouden kunnen interesseren zou toesturen. Terugzenden had geen haast.

Beroemd is de oosterse collectie van de Leidse universiteitsbibliotheek. Die begon vanaf de 17de eeuw gestalte te krijgen. Zo wist bibliothecaris Paullus Merula (1597-1607) een lontar (een handschrift op palmblad) te bemachtigen dat door een expeditie van de Compagnie van Verre uit Java was meegenomen. Dat niemand de tekst kon lezen deerde niet, dat zou later wel goed komen. Ook het legaat-Scaliger van 1609 bevat vele boeken in oosterse talen. Maar tegen het legaat-Warner kon niets op. Levinus Warner, die in Leiden onder Golius had gestudeerd, had als passie het verzamelen en bestuderen van oosterse bronnen. Bij zijn dood in 1665 liet hij 959 Arabische, Hebreeuwse, Turkse en Perzische handschriften na en 223 oosterse gedrukte boeken. De Leidse oosterse collectie, die geldt als een een ware bronnentuin, is dan ook naar hem genoemd: Legatum Warnerianum. Van vergelijkbaar belang, maar dan voor de Polynesische talen, is de collectie lontars die Hermann Neubronner van der Tuuk in 1894 naliet. Tot dat legaat behoren ook zeldzame wajangpoppen, een gift waarover het Etnografisch Museum zich zeer verbolgen toonde. Sindsdien beperkt de bibliotheek zich vooral tot boeken, handschriften en kaarten.

Zowel de Franse tijd als de Tweede Wereldoorlog is de universiteitsbibliotheek relatief ongeschonden doorgekomen. Bibliothecaris Daniel Wyttenbach wist de grijpgrage Fransen ervan te overtuigen dat de Leidse bibliotheek weinig voorstelde en dat de collectie in erbarmelijke staat verkeerde. En na de capitulatie in mei 1940 werden vier kisten met de grootste kostbaarheden in de duinen bij Vogelenzang begraven en later in de oorlog in een brandvrije kluis in de Pieterskerk opgeborgen. T.P. Sevensma, een koele regent die zich bij het ontslag van joodse medewerkers passief opstelde maar wel midden in de oorlog op jubelende toon verslag deed van het bezoek van twee Duitse bibliothecarissen, loodste met onderkoelde bibliothecarissendiplomatie de collectie veilig door de bezettingsjaren.

De laatste gedrukte catalogus van het volledige bibliotheekbezit verscheen in 1716. In de loop van de 19de eeuw deden de `Leidse boekjes' hun intrede in werkelijkheid een Utrechtse uitvinding. Elke boektitel werd op een strookje papier geschreven en bundeltjes werden samengebonden tot handzame boekjes die van achteren naar voren vielen door te bladeren. Wijzigingen en aanvullingen lieten zich eenvoudig aanbrengen. Zo kwamen de alfabetische en systematische catalogi tot stand. Met het aanbreken van het digitale tijdperk is alles in de computer ingevoerd, een operatie die bij talen met diakritische tekens niet altijd even doordacht is doorgevoerd. In de uitleenhal neemt het aantal beeldschermen gestaag toe. Moesten vroeger papieren boeken en tijdschriften bewaakt worden, nu is het zaak ook de vele digitale bestanden voor rampspoed te behoeden. Tijdens de afgelopen milleniumnacht wachtte een dappere ploeg bibliotheekmedewerkers naast de computer op de door velen gevreesde crash die uitbleef.

Magna Commoditas: 425 jaar geschiedenis van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Door prof.dr. Christiane Berkvens-Stevelinck. University Press Leiden en Primavera Pers, 2001. geïll., 264 blz., prijs: ƒ 59,-. ISBN 90-74310-71-0.