De oosterse droomwereld van Marius Bauer

Ter gelegenheid van het 25-jarige huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik werd namens het toenmalige rijksdeel Nederlandsch-Indië een serie kunstwerken aan het paar cadeau gedaan. De eervolle opdracht voor die werken werd verleend aan de gevierde Haagse kunstenaar Marius Bauer, die in 1926 vier grote etsen en een schilderij afleverde. Het schilderij toont een gezicht op een van de transen van de Boroboedoer, de tempel die ook het onderwerp vormt van een van de etsen. Van een andere tempel, de Mendoet, is het interieur weergegeven op een tweede ets, terwijl de overige twee prenten respectievelijk een dansvoorstelling en een plechtige lijkverbranding op Bali voorstellen. De vijf werken maken deel uit van twee tentoonstellingen over Bauer die te zien zijn in het Museum Henriëtte Polak en het Stedelijk Museum Zutphen.

De etsen, met hun fijne gedetailleerdheid en schilderachtige lichteffecten, geven een goed beeld van Bauers grote meesterschap in die techniek, zoals dat ook blijkt uit andere prenten in de expositie. De grote, dramatische voorstelling met de `Ingang van de vrijdagmoskee in Delhi' bijvoorbeeld, waarvan de beschaduwde, monumentale voorhal donker contrasteert met de rest van de façade. Maar ook een ets waarvan de piepkleine afmetingen contrasteren met de rijkdom aan figuren in de voorstelling van het `Beleg van Constantinopel'. Het olieverfschilderij van de Boroboedoer is veel minder precies uitgevoerd. Het toont vooral Bauers fascinatie voor de kleurigheid en de lichte atmosferische effecten die hem zo bevielen aan de exotische streken die hij aandeed op het verbluffend grote aantal reizen dat hij maakte naar onder meer het Midden-Oosten, Perzië, India en, ter voorbereiding van het huwelijksgeschenk, naar Nederlandsch-Indië.

Door zijn reizen en de weerslag daarvan in zijn werk schaart Bauer zich in de rijen van de `oriëntalisten': beeldend kunstenaars en schrijvers die inspiratie opdeden in de islamitische wereld rond de Middellandse Zee en soms ook Perzië. In Frankrijk en Engeland vierde het oriëntalisme al omstreeks het midden van de 19de eeuw hoogtij, Nederland volgde later met kunstenaars als Jacobus van Looy en Marius Bauer.

Typerend voor Bauers oriëntalisme is zijn bijna naïef overkomende enthousiasme voor het romantische oosten van Duizend-en-een-nacht. De vertellingen van Sheherezade moet hij als zijn broekzak hebben gekend, zoals blijkt uit de talloze kleine illustraties waarvan hij zijn eigen, zestiendelige Franse vertaling van het boek voorzag.

De Arabische wereld was voor hem vooral het domein van Aladdin en Ali Baba, en eigenlijk vond hij dat de steden van India daarvoor een nog beter oosters decor zouden hebben gevormd. Anders dan andere Nederlandse oriëntalisten was het Bauer niet te doen om een realistische weergave van oosterse taferelen. Veeleer joeg hij zijn droombeelden na die hij, op basis van studies die hij ter plekke had gemaakt, tot schilderijen en grafiek uitwerkte. Daarom zijn Bauers voorstellingen van rommelige kashba's en bazaars in Noord-Afrika, optochten met olifanten tegen de achtergrond van Indiase steden, tempels en moskeeën zo vaak geschilderd met dezelfde aandacht voor pracht en praal, voor het pittoreske en het sprookjesachtige. Pas in werken uit zijn laatste levensjaren, in voorstellingen van opiumschuivers in Saigon, wordt de schrijnende keerzijde zichtbaar van Bauers kleurrijke schijnwerkelijkheid.

De twee tentoonstellingen presenteren bijna negentig schilderijen, tekeningen, aquarellen en etsen, waarvan er veel uit particulier bezit komen en nu voor het eerst aan een groot publiek worden getoond. Des te onbegrijpelijker is het dat de exposities nauwelijks enige structuur vertonen. Van een artistieke ontwikkeling in het oeuvre van de kunstenaar wordt weinig duidelijk, omdat de werken chronologisch kriskras door elkaar hangen.

Maar evenmin is consequent gekozen voor een thematische invalshoek. Zelfs al zou het de bedoeling zijn geweest Bauers ruime opvatting van de oriënt, waarin het onderscheid tussen allerlei verre streken blijkbaar van ondergeschikt belang was, te illustreren, dan nog is het merkwaardig tussen de exotische voorstellingen een hele reeks Nederlandse, Franse en Spaanse taferelen aan te treffen. Het boek dat bij deze exposities verscheen, is weliswaar mooi geïllustreerd en voorzien van een informatieve inleiding over Bauers plaats binnen het oriëntalisme in Nederland. Maar de besprekingen van de werken in het catalogusgedeelte zijn op amateuristische wijze met citaten uit oudere literatuur in elkaar geflanst. Marius Bauer en zijn oriëntaalse droomwereld hadden een kritischer behandeling verdiend.

Tentoonstelling: Marius Bauer (1867-1932), oriëntalist. Stedelijk Museum, Rozengracht 3, Zutphen; Museum Henriëtte Polak, Zaadmarkt 88, Zutphen. T/m 11/11. Catalogus (Uitg. Bauer Documentatie Stichting): 266 blz., ƒ 30,= (geb.). Inl.: (0575) 516878.