De leegte van het islamitisch tehuis

Twee maanden geleden ging de eerste verpleegafdeling voor islamieten open in een Rotterdamse verpleeghuis. Acht van de tien bedden zijn nog steeds onbezet. Waar blijven de Turkse en Marokkaanse bejaarden?

Roerloos zit Nuri Yucel (62) op zijn stoel, hij staart naar de grote televisie in de hoek van de kamer, waar een onvermoeibaar glimlachende presentatrice een talkshow presenteert op de Turkse televisie. Het is half 12 's ochtends, maar de dag is nog niet echt begonnen op de islamitische afdeling van verpleeghuis De Rustenburg in de Rotterdamse wijk Delfshaven. Voor meneer Yucel begint de dag pas rond twaalven, als de vrouw van zijn Turkse kamergenoot de drie kilometer heeft afgelegd tussen haar woning en De Rustenburg. Zodra ze is gearriveerd in de islamitische huiskamer, aan het einde van de lange, smalle gang op de tweede verdieping, zet ze Turkse thee in de samovar, sterk, met lekker veel suiker. Zo krijg je 'm niet in de waterkoker van Philips die op de andere afdelingen staat.

Twee maanden geleden opende De Rustenburg, verpleeghuis met christelijk-protestantse inslag, de eerste islamitische afdeling in Nederland. Op afdeling 504 is er plaats voor tien moslims: tien bedden en twee huiskamers, ingericht met Turkse en Marokkaanse meubels en spulletjes zoals kleedjes en vazen. Eén huiskamer voor de mannen, één voor de vrouwen, met een gebedsruimte achterin, achter een gordijntje.

Maar waar zijn de bewoners, afgezien van meneer Yucel? Halverwege de middag komt de enige andere bewoner, meneer Murat Celen (66), ook van Turkse afkomst, terug uit het ziekenhuis, waar zijn nieren om de dag worden gespoeld. Dat brengt het totaal aantal bewoners op twee.

De directeur van De Rustenburg, Jacob Slagter, verwachtte eind juni, bij de feestelijk opening van de afdeling, dat ,,alle bedden permanent bezet zullen zijn en veel verpleeghuizen ons voorbeeld volgen''. Nu zegt hij: ,,De belangstelling valt tegen.''

Voordat besloten werd de islamitische afdeling op te richten, is uitgebreid onderzoek gedaan naar de woonbehoeften van allochtone ouderen in Delfshaven, waar circa veertig procent van de bevolking van niet-Hollandse komaf is. Het plaatselijke Centrum voor Transculturele Zorg (CTZ) voerde gesprekken met vertegenwoordigers van alle allochtone groepen: Chinezen, Surinamers, Antillianen, Kaapverdianen, Turken en Marokkanen. De conclusie was dat onder Turken en Marokkanen veel behoefte bestaat aan ,,cultuurspecifieke zorg''. Daarnaast werd overleg gevoerd met een aantal Rotterdamse ziekenhuizen en verpleeghuizen. Volgens Slagter werd toen duidelijk dat opgenomen Turkse en Marokkaanse bejaarden dwangmatig terug naar huis willen, dwars tegen de medische adviezen in. Slagter: ,,Ze voelen zich niet op hun plaats in doorsnee verpleeghuizen. Ze herkennen er hun cultuur niet en hebben enorme taalproblemen.''

Hij hoopt dat het uitblijven van aanmeldingen een kwestie van tijd is, dat onder islamitische ouderen in Delfshaven nog onvoldoende bekend is dat de afdeling bestaat. Of dat ze nu nog de kat uit de boom kijken. Volgens Ibrahim Emili, projectleider bij CTZ, is dit laatste goed mogelijk. Volgens hem is er, naar aanleiding van de opening van afdeling 504, sinds kort een discussie gaande, in moskeeën en binnenshuis. Die speelt tussen Turkse ouders en hun kinderen en gaat over de vraag of wonen in een verpleeghuis acceptabel is. De kinderen, de tweede generatie, willen volgens hem steeds vaker dat hun ouders naar een verpleeghuis gaan als zij intensieve zorg nodig hebben, terwijl de ouders zelf er negatiever tegenover zouden staan.

Zo was het ook bij de familie Celen. ,,Mijn vader was het er niet mee eens dat hij hier moest wonen'', vertelt Dervis Celen, een van de zes kinderen. ,,In onze cultuur horen ouders thuis. Dat vind ik ook, maar hier wordt er beter, professioneler, voor mijn vader gezorgd.'' De familie heeft lang geprobeerd zelf voor hem te zorgen, maar zijn conditie ging thuis achteruit. Toen hij een keer viel bij het douchen en het lang duurde voordat er medische hulp kwam, besloten ze uiteindelijk dat het zo niet langer kon. Dat op De Rustenburg alles is aangepast aan zijn Turkse leefgewoonten en smaak – er wordt bijvoorbeeld ook halal gekookt, volgens de islamitische wetten – maakte het acceptabeler voor de familie om het besluit te nemen dat vader naar het verpleeghuis zou gaan. Mevrouw Celen vindt het ook beter dat haar man is verhuisd. ,,Hij mag wegens zijn nieren maar één liter drinken per dag. Maar hij wilde altijd meer en dan kregen we ruzie.'' Zoon Dervis: ,,Mijn haren vielen uit van de stress. Als zijn kinderen of vrouw kunnen wij hem, het gezinshoofd, toch niet verbieden om thee te drinken?''

Net als meneer Celen had meneer Yucel liever nog bij zijn kinderen gewoond. Hij woonde een tijdje bij een zoon, ,,maar die heeft me het huis uitgegooid. En mijn vrouw is van me gescheiden, dus woon ik hier, al hoort het niet zo''. Zelfstandig wonen gaat niet, meneer Yucel heeft een hartkwaal en hij is net geopereerd.

Emili en Slagter geloven dat Turkse en Marokkaanse ouderen steeds vaker in verpleeghuizen zullen gaan wonen, als die maar zijn aangepast aan hun cultuur. Slagter: ,,De familiezorg zakt steeds verder in. Kinderen van de eerste generatie allochtonen werken bijna allemaal, ook de vrouwen. Hun bereidheid om voor ouders te zorgen, is niet afgenomen, hun beschikbaarheid wél.'' Om privacy-redenen wordt niet bijgehouden hoeveel Turkse, Marokkaanse of islamitische mensen in bejaardenhuizen wonen. Of hun aantal toe- of afneemt, is dan ook niet bekend. Het ministerie van Volksgezondheid weet alleen dat het totale aantal Turkse en Marokkaanse 55-plussers de komende 15 jaar zal verdubbelen tot 80.000.

Celen en Yucel zeggen inmiddels gewend te zijn op afdeling 504. ,,Ik zit hier heel goed'', vindt Yucel. ,,Op de algemene afdeling praat iedereen Nederlands en kan ik niks verstaan. Door alle Turkse spulletjes is het hier een beetje zoals thuis.''

Ook de Turkse bezoekers lijken een tweede thuis gevonden te hebben in De Rustenburg. Mevrouw Celen vertrekt 's avonds pas om acht uur, acht uur nadat ze gekomen is. En elke dag komt er een handvol kinderen. ,,Wij zijn van de tweede generatie, we denken meer aan onszelf'', verklaart zoon Dervis ,,Maar als ik hier een dagje niet kom, voelt het alsof ik spijbel.''