De boer die sterft

Het in beledigende zin spreken over boeren is een doodzonde. Zo heb ik althans geleerd van mijn vader, die landbouwkundig ingenieur was, en zijn kinderen op de strengst mogelijke wijze verbood het agrarisch bedrijfsleven in verband te brengen met de rijkdom aan denunciaties die het woordenboek in dit opzicht te bieden heeft: boerenbedrog, boerenkinkel, boerenlul, boerenpummel, boerentrien. Van Dale kan zijn lol nog op als LTO-Nederland de schaar van de censor te pakken krijgt. Maar hoe dan ook, mijn vader vond dat je wel een enorme boerenhufter moest zijn om je minachtend uit te laten over het zuiverste en zinvolste beroep dat er bestaat. Zij die de akker bewerken en het vee hoeden zijn degenen die ons voeden. Die beledig je niet.

Overigens had ik daar ook geen behoefte aan, mijn droom als meisje was zelf ooit boerin te worden. Achter het huis waar ik opgroeide strekte zich een inmiddels volgebouwde polder uit en er bestond niets mooiers dan met boer Kees, onze buurman, op de bok van de kar mee te rijden om de koeien te gaan melken. Als tienjarige wist ik zeker dat ik met Kees wilde trouwen om tussen de kalfjes en de biggen te kunnen blijven wonen.

Nog altijd koester ik van de boeren liefst het geromantiseerde beeld van vroeger, het beeld van nuchtere onverstoorbaarheid, berusting en gestadige plichtsbetrachting. Dat is natuurlijk een literaire verbeelding van het boerenleven slechts onderworpen aan de wetten van de natuur, het verstrijken der seizoenen, geboorte en dood, onvatbaar voor de waan van de dag.

De boer die sterft, in 1915 geschreven door Karel van de Woestijne, is één van de sterkste verhalen uit de Nederlands-Vlaamse letterkunde. (`Een oude boer lag te sterven. Op de vout-kamer, in de zure lucht, stond zijn bed. De dag ging al naar den avond, en die boer lag, uit de diepte van zijn kaf-zak, onder de sargie die grauw en groezelig was, te kijken.')

De boer neemt het bestaan zoals het is, in voorspoed en bij tegenslag, in vrome dankbaarheid. `De zon komt op. de zon gaat onder/ langzaam telt de oude boer zijn kloten', dichtte C. Buddingh'. De strekking van dit vers is wezenlijk dezelfde als die van W.F. Weremeus Bunings `Ballade van den boer' uit 1935:

Er stonden drie kruisen op Golgotha,

Maar de boer hij ploegde voort.

Magdalena, Maria, Veronica,

Maar de boer hij ploegde voort.

Natuurlijk is het idee van de boerenstand als de belichaming van onverzettelijke kalmte en ingetogen bedachtzaamheid nooit iets anders geweest dan een literaire fantasie. Dat was ongetwijfeld al zo in de 18de eeuw, toen H.C. Poot het akkerleven bezong (`Hoe genoeglyk rolt het leven/ Des gerusten Lantmans heen,/ Die zyn zaligh lot, hoe kleen, Om geen koningskroon zou geven!')

Hoe idyllisch en onwezenlijk die oude lofzangen ook bij hun ontstaan al waren, de tegenstelling tot de hedendaagse werkelijkheid is er niet minder schril door. Tegenwoordig is er geen hysterischer, rabiater, haatdragender en fanatieker gezelschap dan een verzameling inhalige boeren. Zij beweren dat het water hun tot aan de lippen komt, maar wat we zien is niets anders dan het schuim op de bek.

Men zegt dat het zo bevrijdend is dat je tegenwoordig weer fijn bevolkingsgroepen mag beledigen en dat er, met dank aan Frits Bolkestein en Pim Fortuyn, geen taboe meer rust op het stigmatiseren van asielzoekers of Marokkanen. Maar waag het niet, zoals minister van Landbouw L.J. Brinkhorst deed, ook maar een kritisch woordje over een deel van de boeren te laten horen, want dan rolt het groene front als een tank over de waaghals heen.

Over cliëntelisme in de politiek gesproken: geen bevolkingsgroep is in Den Haag zo goed voorzien van spreekbuizen als de boeren. Het CDA was `met stomheid geslagen', maar vond toch de woorden om Brinkhorst wegens zijn `schandalige' uitspraken tot aftreden te manen. De VVD vond dat de minister zich schuldig had gemaakt aan `zinloos verbaal geweld'. Aldus opgehitst, kondigde een of andere actiegroep aan Brinkhorst te zullen komen `opzoeken'.

Blijkbaar is het nu zo dat je iedereen vrijelijk mag kwetsen, maar dat een minister over de boeren zelfs niet genuanceerd kritisch kan spreken zonder te worden gedwongen onmiddellijk excuses te maken. En waarvoor eigenlijk? Geen onvertogen woord staat er in het artikel dat al dat tumult en al die haat opriep. Het is een mooi en evenwichtig interview dat Cisca Dresselhuys met de minister maakte, een compliment waard aan Opzij, dat journalistiek goed aan de weg timmert. Het citaat dat de meeste opschudding veroorzaakte, luidt: `Tja, die boeren. Die zijn natuurlijk niet vrij van hypocrisie, ze huilden soms echte tranen, soms krokodillentranen, want uiteindelijk zijn alle dieren bestemd voor de slacht, there's no escape.' Met krokodillentranen bedoelde Brinkhorst, legde hij nader uit, dat de boerenorganisaties zelf vaccinatie van het vee tegen mond- en klauwzeer hebben afgeschaft toen ze dachten eraan te kunnen verdienen en vervolgens na de uitbraak van de epidemie het hardst riepen om vaccinatie.

Daarmee vertelde de minister niets nieuws. Maar nu het gekke. Over zijn werkelijk opzienbarende uitspraak heb ik niemand gehoord, ook geen enkel Kamerlid. Brinkhorst zei: `U moest eens weten hoeveel wetten in Nederland niet worden gehandhaafd of uitgevoerd wegens dreiging met geweld - dat is niet mooi meer.' Deze opmerking lijkt me veel schokkender dan wat hij over de hypocrisie van sommige boeren zei. Wie zijn het, die met geweld dreigen? Bedoelt de minister de boeren? Diezelfde boeren die vinden dat ze nooit genoeg subsidie krijgen, hun ondernemersrisico automatisch willen afwentelen op de staatskas en de politiek als verlengstuk van hun groepsbelang beschouwen? Daar zouden de boerenknechten in de Tweede Kamer opheldering over moeten vragen.

En de kwaden gingen hem links voorbij

En de goeden rechts voorbij,

Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord

En de boer hij ploegde voort.