De becakrijder vecht voor zijn voertuig

Jakarta is een chaotische, maar dynamische miljoenenstad, waar ondernemende enkelingen de gaten vullen die het openbaar bestuur laat vallen. In het verkeer geldt het recht van de sterkste; de politie regelt niks en schrijft alleen bonnen uit. Op knooppunten zonder stoplichten is zelden een politieman te bekennen en daar worden elkaar kruisende verkeersstromen uit elkaar gehouden door opgeschoten jongens met fluitjes. Tegen betaling van 500 roepia (15 cent) maken zij vrij baan voor automobilisten.

Transport is er in alle soorten en maten. Het vervoersbedrijf van Jakarta moet het wat betreft mobiliteit en comfort afleggen tegen het particuliere initiatief. Dat varieert van huurlimousines tot uit India stammende, knetterende driewielscooters met koetswerk (bajaj) en motorfietsen met bestuurder (ojek). Het oudste vervoermiddel van Jakarta is de becak (spreek uit `betja'), de fietstaxi. Deze minirijtuigjes op drie wielen worden voortgedreven door een man met pezige kuiten die op een fietszadel boven het achterste wiel de pedalen ronddraait. De kap boven het tweezits bankje aan de voorkant kan naar believen worden in- en uitgeklapt.

De becak vormt de onderste trede van de vervoersladder; het `motorvermogen' wordt bepaald door de spierkracht van de becakrijder. Becaks zijn rijdende kunstwerken. De zijkanten van het koetsje zijn versierd met desa-taferelen of decoratieve fantasieën en de buizen van het frame zitten fleurig in de verf. De fietstaxi biedt de passagier enig zitcomfort, produceert geen lawaai, is uiterst wendbaar en de kruissnelheid varieert met de leeftijd en conditie van de man in het zadel. Is die al op jaren en moet hij een helling nemen, dan bekruipt de westerling in het zitje een gevoel van gêne.

De berijder is niet de eigenaar van het vehikel, maar huurt die voor 4.000 roepia per dag en mag er voor die prijs in overnachten. Dat gebeurt vaak, want de meeste becakrijders komen uit de provincie en hebben geen vast onderkomen in de stad. Hun klanten zijn vooral huisvrouwen met volle boodschappentassen, die zich geen luxer vervoer kunnen veroorloven. Een ritje van de markt naar huis kost hoogstens 2.000 roepia (zestig cent). Van de dagopbrengst eet de becakrijder tweemaal daags een portie rijst met vis in een eetkraam langs de weg en koopt hij enkele malen per week een pakje kruidnagelsigaretten. De rest – zo'n 300.000 roepia (honderd gulden) per maand – gaat naar de familie in de kampong van herkomst. De meeste peddelaars zijn analfabeet en kunnen geen ander emplooi vinden.

In bijna alle steden van Java is de becak nog heer en meester van de vervoersbranche. De drukste winkelstraten van de sultanstad Yogyakarta hebben een speciale becak-baan. Het bestuur van de stadsprovincie Jakarta heeft de fietstaxi echter al in 1988 in de ban gedaan. De driewielers zijn een gevaar op de weg, vinden de vroede vaderen, en verhinderen een vlotte doorstroming van het verkeer. Stadsbestuurders noemen personenvervoer met menskracht `niet humaan en uit de tijd', maar zij vinden het vooral geen gezicht. Driewielers en ander grut passen niet in het moderne, grootsteedse aanzien dat zij Jakarta willen geven. In de jaren 1988-'89 werden fietstaxi's met honderden tegelijk van de straat gehaald, geplet tot schroot en in de Baai van Jakarta gestort. Een enkele becakrijder wist zich te handhaven in dichtbevolkte stadskampongs. Om beslaglegging te voorkomen, vertonen zij zich niet op de jalan protokol, de doorgaande wegen waarlangs zich dagelijks hoge pieten, geëscorteerd door motorpolitie, van hun huis naar hun werkplek laten rijden.

Sinds 1997, toen de monetaire crisis toesloeg, is het aantal fietstaxi's in de hoofdstad opnieuw gestegen. De jongste schattingen lopen uiteen: van 7.000 (volgens het beschaamde stadsbestuur) tot 15.000 (de hoofdstedelijke media). Begin augustus heeft de gouverneur van Jakarta opnieuw de oorlog verklaard aan de becak. Vóór nieuwjaarsdag 2002 moeten alle fietstaxi's uit het straatbeeld zijn verdwenen. Dat besluit leidde vorige week in Midden- en Noord-Jakarta, waar de meeste peddelaars actief zijn, tot ware veldslagen tussen ambtenaren van het stadskantoor voor Openbare Orde en Veiligheid, ondersteund door politiemannen, en woedende becakrijders. Daarbij liet één ambtenaar het leven. Sinds enkele dagen belegert een luidruchtige menigte van becakrijders, jong en oud, met wilde kuiven en kleurige hoofddoeken, het hoofdkwartier van de nationalistische PDI-P, de partij van president Megawati Soekarnoputri. Die zegt immers op te komen voor de wong cilik (Javaans voor `kleine man'). Leden van het partijbestuur hebben de betogers, die behoren tot hun trouwste achterban, beloofd de gouverneur te vragen de razzia-achtige campagne tegen fietstaxi's op te schorten.

Het lijkt een verloren strijd. Donderdag organiseerde de vice-gouverneur van Jakarta achter de opslagplaats van Openbare Orde en Veiligheid een massale vernietiging van in beslag genomen becaks. 750 kleurige driewielers werden, in het bijzijn van hoge ambtenaren en de pers, tot schroot gebeukt. Binnenkort ligt er een nieuw, kunstmatig rif in de baai.