AFRIKA BLIJKT NIET ÉÉN MAAR TWEE SOORTEN OLIFANTEN TE HEBBEN

De Afrikaanse olifant bestaat in feite uit twee aparte soorten. Dat ontdekten Amerikaanse en Kenyaanse wetenschappers na vergelijking van het DNA van 195 wilde olifanten afkomstig uit 21 wildparken verspreid over het Afrikaanse continent (Science, 24 aug.). De Afrikaanse olifant zou voortaan moeten worden onderverdeeld in een savanne-soort Loxodonta africana en een bos-soort Loxodonta cyclotis.

Dat brengt het totaal aantal soorten olifanten in de wereld, met de Indische olifant (Elephas maximus) die in Azië leeft, op drie. Het nieuwe onderscheid zal gevolgen hebben voor de bescherming van de Afrikaanse olifant. Bij de veiligstelling van de soort moet nu extra worden gelet op het instandhouden van de leefgebieden van zowel de savanne- als de bos-olifant. En ook bij de (dierentuin-) fok zal men rekening moeten houden met het bestaan van twee soorten Afrikaanse olifanten.

Bosolifanten leven voornamelijk in het oerwoud in het centrale deel van Afrika. Ze zijn kleiner dan de savanne-olifanten en hebben rechtere, dunnere slagtanden en ronde oren. Op basis van deze uiterlijke kenmerken deelden olifantdeskundigen ze in als ondersoorten. Een enkeling ging zo ver de dieren in te delen als echt aparte soorten. Dat is nu ook genetisch bevestigd.

De onderzoekers vergeleken vier genen in het olifanten-DNA en ontdekten negen vastgelegde verschillen tussen Afrikaanse en Indische olifanten. Tussen de twee Afrikaanse soorten vonden zij vijf vastgelegde verschillen. Via verschillende statistische methodes stelden zij een nieuwe soortsverdeling vast.

Bosolifanten blijken genetisch diverser dan savanne-olifanten. Berekeningen van de onderzoekers maken aannemelijk dat savanne-olifanten evolutionair jonger zijn en zich 2,6 miljoen jaar geleden afsplitsten van de bosolifanten. Die theorie klopt met fossiele vondsten waaruit blijkt dat de savanne-olifant zich aan het einde van het Pleistoceen enorm uitbreidde nadat Elephas iolensis, de tot dan toe dominante olifantsoort in Afrika, was uitgestorven.

Vermenging van beide soorten is zeldzaam en wordt volgens de onderzoekers wellicht beperkt door fysiologische en/of gedragsverschillen. Slechts in één gebied troffen zij mengvormen van de savanne- en bosolifant aan. Het nationale park Garamba in Noord-Congo, is een overgangsgebied met een mengeling van bos en secundair grasland. Garamba is daarmee een leefgebied dat geschikt is voor zowel de savanne- als de bosolifant. Beide soorten komen er voor en hebben er ook samen nakomelingen.

Biologen onderscheiden officieel echter pas aparte soorten als deze onderling niet (kunnen) kruisen. Hoewel de Afrikaanse olifant strikt genomen niet aan deze voorwaarde voldoet (Garamba vormt immers de uitzondering), pleiten de onderzoekers er toch voor de deelpopulaties aan te merken als aparte soorten. Uit hun analyse blijkt dat het bestaan van een hybride zone in Garamba niet leidt tot grootschalige en zich uitbreidende vermenging van de savanne- en bosolifanten. Beide varianten behouden hun eigen genetische identiteit. In combinatie met de duidelijke verschillen in morfologische en ecologische kenmerken achten de onderzoekers de basis daarom voldoende breed voor de indeling in twee aparte soorten.