Zeer geachte Gerrit Krol,

Toen Gerrit Krol in mei van dit jaar de P.C. Hooftprijs kreeg, schreef Arnon Grunberg hem in het Cultureel Supplement een brief over zijn werk. Krol gaf antwoord. Grunberg schrijft weer terug.

Zoals het u verraste dat ik u mijn bewondering mededeelde zonder u eerst vermoord te hebben, zo verraste mij uw lange reactie op mijn brief.

Schrijvers reageren meestal niet. Schrijvers doen bij voorkeur, net als president George W. Bush, alsof ze boven de strijdende partijen staan. Vooral als hun werk inzet is van de strijd.

U had het me toch niet kwalijk genomen als ik u wel een klein beetje vermoord had? U bent tenslotte de schrijver die niet moe wordt erop te hameren dat in de literatuur de doden op kunnen staan uit hun graven om tot ons te spreken, dat Kopenhagen de hoofdstad van Nederland kan zijn, in uw laatste roman De vitalist laat u een verdronkene de zee uitlopen, het strand op. U zou niet vies moeten zijn van een moord. U weet dat zo 'n moord niet het einde hoeft te betekenen, maar het begin kan zijn van iets heel moois. U weet dat twee schrijvers elkaar in zee kunnen vermoorden en even later op het strand een gebakken visje kunnen eten. En niet omdat die moord niet gemeend zou zijn.

In een van uw essays laat u weten dat u meent wat u schrijft. Gelukkig. Ik ook. Helaas vertelt u er niet bij wat dat precies betekent, menen wat je schrijft. Moet je doen wat de personages in je boeken doen? Dat kan lastig worden. Moet je bereid zijn te sterven voor je werk? Is misschien ook wat veel gevraagd. Of moet je geloven dat jouw werk de wereld beter, effectiever en waarheidsgetrouwer beschrijft dan alle boeken ervoor? Of is dat menen wat je schrijft een noodzakelijke illusie waarin zowel schrijver als lezer moeten kunnen geloven?

Noodzakelijk, omdat zonder die illusie de spanning wegvalt. Als meneer Krol niet meent wat hij schrijft, waarom dan nog verder lezen? En een illusie, omdat wie de consequenties van die uitspraak teneinde denkt en met harde bewijzen wil komen dat hij inderdaad meent wat hij schrijft vroeg of laat over zal gaan tot daden. Hij betreedt de wereld van de waanzin en dat is een wereld waaruit je iets minder makkelijk terugkeert dan uit de zee.

Als wij over X beweren `hij is een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving',komt dat door zijn daden, niet door zijn woorden. Daden kunnen op woorden volgen, en omgekeerd, maar in uw essays heeft u haarfijn uitgelegd dat het feit, dat b op a volgt, niet automatisch betekent dat b het gevolg is van a. Of dat a een oorzaak is van b.

Schrijvers moeten voorzichtig zijn met het aangeven van oorzaken voor hun eigen gedrag of dat van hun karakters. Ze moeten hun zinnen in de juiste volgorde zetten. Dat wel.

In een roman of een verhaal staan waarheden die aan plaats en tijd gebonden zijn, al die waarheden samen vormen, als het goed is, een grotere, hogere waarheid die iets minder aan plaats en tijd gebonden is. Daarom kunnen de schrijvers elkaar in zee vermoorden en daarna toch samen vis eten. De plaats, de zee, en het tijdstip, vijf voor vier 's middags, vroegen om een moord. Maar nu plaats en tijdstip veranderd zijn, hebben we een nieuwe waarheid nodig.

In uw brief geeft u een voorbeeld dat in uw essays ook al een paar keer voorkomt. Van het paard in de wei.

U schrijft:

`Er staat een paard in de wei.

Er staat geen paard in de wei.'

Weet u dat ik mij blijf verbazen over uw keuze voor dat paard en die wei? Ik zoek daar betekenis achter, een waarheid die iets over u zegt, iets fundamenteels over u zegt dat we met zijn allen over het hoofd hebben gezien. Om diezelfde stelling te bewijzen, had u ook het voorbeeld kunnen nemen: `Er ligt een baby op straat.' Maar goed we zitten aan dat paard en die wei vast.

In een filosofisch betoog is zo'n bewering een paradox die moet worden opgelost, in een verhaal kan die blijven staan en u vermoedt dat die paradox de lezer verrast.

Ik deel dat vermoeden niet. Want de lezer, zelfs de onwetende lezer van wie u zo houdt, is niet op zijn achterhoofd gevallen. Die wil een paard in de wei, of geen paard in de wei, maar niet iets er tussenin. Op blz. 577 van Gödel, Escher, Bach mag Douglas Hofstadter dan bewezen hebben dat 2x2 5 is, dat helpt ons nog niet direct verder met de paradox van dat paard in een roman. Het huwelijk tussen schrijver en lezer bestaat uit een aantal wetten die niet altijd even succesvol gebroken kunnen worden. Veel van die wetten lijken op de wetten die bestaan als twee (of meer) mensen een gesprek voeren.

Als ik vandaag een vreemde op straat tegenkom en ik vertel hem dat ik een computerwinkel in Kaapstad heb, dan is dat een volstrekt geloofwaardig verhaal. Tenzij de vreemde alle bezitters van computerwinkels in Kaapstad kent, wat onwaarschijnlijk is, beschikt hij niet over de mogelijkheid noch het verlangen mijn informatie te verifiëren. (Had ik hem verteld dat ik de directeur van de FBI ben, had hij hoogstwaarschijnlijk die informatie ter plekke kunnen verifiëren en was hij tot de conclusie gekomen dat ik gestoord ben. Mensen die op straat aan anderen gaan vertellen dat ze de directeur van de FBI zijn noemen wij gestoord. Helaas. De wereld is nog niet klaar voor dergelijke ontboezemingen.)

Wij gaan uit van de waarheid, tenzij anders bewezen. Anders zouden we gek worden. Als ik nu, na twintig minuten over mijn computerwinkel te hebben gesproken, zeg: ,,Het is anders, ik ben eigenlijk een vioolbouwer uit Amstelveen'', zal de vreemde zijn voorhoofd fronsen. En als ik, na een half uur over de vioolbouwkunst te hebben gesproken, opeens zeg: ,,Nee, het is nog anders, ik ben een bankier in Toronto'', zal hij vermoedelijk weglopen. Als hij dat niet al eerder heeft gedaan.

Afzonderlijk waren dit volstrekt plausibele verhalen, maar door ze op één middag aan dezelfde persoon te vertellen heb ik veel verloren en weinig gewonnen.

De mens heeft, net als de lezer, de irritante eigenschap dat hij niet in het ootje wil worden genomen. Onrechtvaardig van die mensen, net als de dood. Omdat het niet anders is, kunnen wij schrijvers maar beter met die irritante eigenschap rekening houden.

U zegt misschien: ,,Lezers en andere mensen willen wel degelijk in het ootje worden genomen.''

Ik antwoord: ,,Ja, maar ze willen geloven dat dat niet zo is. En daarop hebben ze recht. Ze hebben het al moeilijk genoeg.''

Ik zie de lezer als een slang en de schrijver als een slangenbezweerder. Ik krijg mijn slangen niet bezworen door paradoxen over paarden en weilanden uit mijn hoge hoed te toveren. Maar als u dat wel lukt, moet u daar vooral mee doorgaan. Iedere slangenbezweerder zijn eigen stijl.

In uw essay De mechanica van het liegen schrijft u: ,,De waarheid in een huwelijk is een waarheid die je allebei verdragen kunt en de waarheid die het huwelijk niet verdraagt houd je voorjezelf.''

Dit geldt zeker ook voor het huwelijk van de eenzamen, tussen schrijver en lezer. Hoewel, elk huwelijk is een huwelijk van de eenzamen. Als ze niet geteisterd waren door de eenzaamheid, zouden ze dat trouwen wel uit hun hoofd laten.

Misschien moeten we uw paard als een metafoor, een symbool, zien en moeten we voor dat symbool bijvoorbeeld de vraag invullen: is orale seks seks of geen seks? Sommigen zien een paard, anderen niet. De belangen zouden aanzienlijk kunnen zijn.

Het wordt interessant. Het spel krijgt een inzet.

Elke roman, elk verhaal is te beschouwen als een pleidooi van de schrijver voor een of meerdere van zijn personages. Een aanklacht, een verdedigingsrede of allebei tegelijk.

Hij nodigt de lezer uit een moreel oordeel te vellen over de gedragingen van zijn personages, of beter nog, hij nodigt ze uit, hij verleidt ze hun oordeel te herzien. U dacht dat zoiets slecht is, maar ziet u, onder deze omstandigheden is het helemaal niet slecht, maar begrijpelijk, misschien wel goed. U dacht een paard te zien, maar het was een onschuldige waterrat.

De schrijver doet dit niet door de feiten te veranderen, maar door de feiten anders te ordenen. Zoals een therapeut tegen zijn cliënt zegt: ,,Ik kan de feiten van uw leven niet veranderen, maar ik kan wel aantonen dat u uit die feiten hele andere conclusies kunt trekken dan u nu doet.''

Dit morele oordeel van de lezer, of het opheffen daarvan, zal zijn oordeel over de roman beïnvloeden. Hoe meer sympathie hij voor de schuldige kan opbrengen, hoe eerder hij geneigd zal zijn het boek een mooi boek te noemen.

Er zijn natuurlijk zat boeken die gaan over goede mensen die getroffen worden door vreselijke rampen. Dat is handig. Want de meeste mensen vinden zichzelf behoorlijk goed en vinden dat ze getroffen zijn door behoorlijk veel rampen. Maar dat vind ik nou saai. Om te lezen en om te schrijven.

Er zijn ook lezers die lezen om een moreel oordeel over de schrijver te kunnen vellen en om zoveel mogelijk mensen uit zijn omgeving in zijn boeken te herkennen. Dat is begrijpelijk, het vlees is zwak en het geslacht is dorstig, maar als geneeskundige moet ik dat afraden. Zo'n lezer doet denken aan de schrijver die wil bewijzen dat hij meent wat hij schrijft en daarom maar gaat doen wat mensen in zijn boeken doen. Hij overschrijdt de grens naar de waanzin, hij plaatst zich buiten het ernstige spel, en dus buiten de discussie.

Alle literatuur gaat over schuld. U noemt dat `het menselijk tekort'. In uw essay Lof der techniek schrijft u: ,,Je zou ons leven kunnen beschrijven als een strijd tussen verlangen en vrees. Vrees voor de dingen die we niet willen en verlangen naar de dingen die we wel willen. En omdat wat wij vrezen, omdat wij het niet willen, meestal niet gebeurt en dat wat wij verlangen ook niet, is ons leven vol illusies. Daarom kijken wij naar films, lezen wij romans. Zo kunnen wij ons vereenzelvigen met hen die krijgen wat wij willen en met hen die krijgen wat wij vrezen en intussen genieten van de heerlijke zekerheid dat wij het niet zijn.''

Dat u schrijft dat wij ons ook vereenzelvigen met hen die krijgen wat wij vrezen bewijst dat u stiekem weet dat wij ook verlangen naar dat wat wij vrezen. Sterker nog, dat verlangen vrees nodig heeft om te kunnen bestaan.Als wij naar een ander verlangen, hebben wij diegene nog niet in onze macht. Hij zou onze prooi kunnen worden, maar hij is het nog niet.

En dan haalt u in Lof der techniek Don Quichot aan als voorbeeld van een man, een lezer die zich te veel vereenzelvigde. Van alle illusies waarin Don Quichot leefde was de illusie dat hij een held was de grootste, schrijft u. Zie daar: het menselijk tekort. Het wezen van de literatuur. Kan een illusie die ontmaskerd is nog wel een illusie blijven? Don Quichot leert ons van niet.

Een schrijver speelt met illusies zoals u aangeeft, en hij moet, om ermee te kunnen spelen, die illusies herkennen en ontmaskerd hebben. Een schrijver is iemand die zelf nauwelijks of geen illusies meer heeft maar wel een illusie wil zijn voor anderen. Misschien moet ik zeggen: moet zijn. Het een volgt, uit het ander. De illusie die hij voor de ander is, is zijn laatste.

Hij heeft steeds weer een nieuwe onschuldige slang nodig om te bezweren, want alleen door de ogen van een onschuldige kan hij iets van zijn eigen onschuld hervinden, alleen in die ogen kan hij een illusie zijn en er een koesteren. Hij bezweert en corrumpeert de slangen niet om het corrumperen, maar omdat dat zijn illusie is. Die van het schrijven. En van het lezen. Met elke gecorrumpeerde slang neemt zijn schuld toe. Schuld is zijn perpetuum mobile, het perpetuum mobile van de literatuur.

,,Iets dat technisch faalt, repareer je of je gooit het weg'', schrijft u. De mens is niet gerepareerd en ook net niet weggegooid, dus we gaan nog maar even door hem te beschrijven.

U schrijft ergens dat u niet van mythes houdt. Ik denk dat mythes noodzakelijk zijn om onze zelfkennis te begrijpen en we hebben steeds weer nieuwe mythes nodig om onze zelfkennis scherper te stellen.

Goed, het menselijk tekort hebben we. Maar nu. In uw brief schrijft u: ,,Het is de toon die de schoonheid en dus de waarheid van een verhaal bepaalt.'' En: ,,Een zin die overtuigt is altijd mooi.'' Ja. Een vrouw die aantrekkelijk is, is altijd aanlokkelijk. Een biefstuk die smakelijk verorberd is, was altijd lekker. Daar laat ik u niet mee weg komen.

Uw brief aan mij vertoont, in tegenstelling tot de rest van uw werk, sporen van gemakzucht. Deed u dat misschien expres? Was uw verlangen naar mij evenredig aan uw vrees voor mij, en dacht u, ik strooi wat gemakzucht door mijn brief, want niets maakt het beest in de `jonge schrijver' (uw woorden) zo goed los als de gemakzucht van de oudere?

In uw bundel De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels hebt u interessantere dingen beweerd over stijl.

Daar schrijft u: ,,Wie schrijft, beschrijft zichzelf. En dat doet hij beter naarmate hij verder doordringt tot de kern van zijn persoonlijkheid en deze blootlegt — voor anderen. Dit proces gaat met schaamte gepaard, bij de schrijver, maar zo mogelijk nog meer bij de lezer en het is terwille van deze lezer dat hij, de schrijver, spiegels gebruikt, meer nog dan voor zichzelf. (...) In de letteren heet dat stijl. Schaamte, die overwonnen wordt door stijl. Als je wilt weten wat `literatuur' nu precies inhoudt, is dat misschien een goede, want eenvoudige definitie.''

Aha, dus stijl is niet zomaar bedoeld om ergens in een weiland mooi te staan wezen naast een paard. Stijl heeft een functie. Hij moet de schaamte van de schrijver voor zichzelf en voor wat hij beschrijft, voor hem en de lezer dragelijk maken.

Mooischrijverij is dus: te weinig schaamte overwonnen door te veel stijl. Als u een vriend citeert die de bewegingen van het lopende vrouwelijke lichaam adequaat meent te kunner vergelijken met termen uit de scheepvaart: deinen, stampen, zwenken en beuken, dan is dat een hoop schaamte waar u met uw inderdaad vlekkeloze stijl tegen aan kunt beuken.

Schaamte dat u zo'n vriend hebt, schaamte dat vrouwen zo lopen, schaamte dat sommige mannen dat nog lekker vinden ook, schaamte dat u en uw vriend dat lekker vinden, schaamte dat u illusies over de bewegingen van vrouwenlichamen moet doorprikken, schaamte dat u ooit heeft beweerd dat intelligentie het vermogen is dingen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben zinvol met elkaar te laten samenhangen, en dat als u de bewegingen van een olietanker zinvol vergelijkt met die van een vrouwelijk lichaam en er dus wel sprake `moet' zijn van intelligentie.

Tot slot nog iets over werkelijkheid en woorden.

U nam mijn definitie van werkelijkheid te nauw. U schrijft dat u het niet geheel eens bent met mijn stelling dat woorden moeten verdwijnen achter de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. Maar ik ben mij ervan bewust dat die woorden die werkelijkheid waarschijnlijk zelf op hebben geroepen.

Alleen de woorden van slechte schrijvers roepen niets op en kunnen dus ook nergens achter verdwijnen. Je kijkt naar letters, leestekens, witregels. ,,Je kunt de wereld beschrijven zoals je wilt — hij verandert er niet door'',schrijft u in een essay over Wittgenstein. (Ik suggereer niet dat dat uw eindoordeel is.)

Wat wij van de wereld weten, weten wij dankzij onze eigen beschrijvingen van die wereld en dankzij de beschrijvingen van anderen, dus elke beschrijving zal de wereld veranderen. Of die verandering een verbetering inhoudt is de vraag.

Nu moet ik u nog zeggen dat ik het beeld van de schrijver als slangenbezweerder aan uw essay over de wiskundige L.E.J. Brouwer te danken heb.U schrijft daar: ,,Wiskundige taal is wilsoplegging door tekens, nadat de wiskundige eerst door wiskundige beschouwing (zintuigen) en wiskundige abstractie (verstand) voor zichzelf heeft uitgemaakt wát hij de ander wil opleggen.''

Brouwer heeft het over een slang die zijn prooi fixeert. Zo wil de schrijver niet alleen gelezen worden, hij wil meer, hij wil de lezer besmetten met zijn werkelijkheid die zijn ziekte is. Wilsoplegging door middel van tekens. Diezelfde Brouwer in een brief aan Adama van Scheltema:

,,Wel speel ik op congressen voor de pausen der wetenschap de rol van enthousiaste vaandrig, maar als ik in gedachtenrijke gesprekken `mit flammender Begeisterung' de verschieten schilder die mijn werk bezielen, laaft intusschen mijn schijnbaar zoo geabsorbeerde blik zich aan de monomanie hunner gelaatsuitdrukking, en ziet in sommigen troosteloos gevangen helden, in anderen gifmengende kobolden, en in de laatsten de ongekende beulen der eersten. En terwijl ik physiek doortrokken ben van het gevoel in de hel te zijn, stralen mijn oogen in sadistische wellust van sympathie.''

De sadistische wellust van de sympathie, dat doet denken aan het agressieve medelijden en de totale misantropie van Hermans. Maar dan nog iets agressiever. Dat bevalt me wel.

U maakt onderscheid tussen slimme en domme lezers, en alleen de slimme lezers komen uw werk in.

Ik wil dat onderscheid niet maken.

De mooiste prooi is natuurlijk de prooi die je zelf hebt opgetuigd en aangekleed, die je hebt bewonderd en begeerd, naar wie je hebt verlangd als naar een laatste illusie. Maar verder, dom of intelligent, stervend, minderjarig of allebei tegelijk, gehandicapt, kerngezond, strompelend, huilend, smekend, verlangend of angstig. Een prooi is een prooi.

Dat onze ogen mogen stralen in sadistische wellust van sympathie.

Hoogachtend,

Uw

Arnon Grunberg