Waarschuwing: addertjes en gifpillen schaden uw gezondheid

Kleine lettertjes, grote gevolgen.

Oftewel: de geschiedenis herhaalt zich, maar steeds weer anders.

Eind 1979 kocht het industriële conglomeraat Ogem een kantoorpand en betaalde de verkopers, onder wie een eigen commissaris, met een pakket ingekochte Ogem-aandelen die het graag buiten het jaarverslag wilde houden. Ogem gaf een koersgarantie van 19,75 gulden per aandeel. Twee jaar later was de koers 2,20 gulden. Ogem ging bankroet. De garantie stond niet in het jaarverslag. Het handeltje plus de garantie was een van de zeven daden van de Ogem-top die de Hoge Raad in 1990 als wanbeleid bestempelde.

Koersgaranties ondermijnen de financiële gezondheid van de gulle gever op het slechtst denkbare moment: als alles toch al tegenvalt. Dan is de garantie voor de ontvanger het meeste waard. Waarom leggen bedrijven die zulke garanties geven hun hoofd in de strop? Zij zijn zo gretig om zaken te doen, dat zij anderen de voorwaarden laten dicteren.

Twintig jaar na Ogem is wel wat verbeterd. In de kleine lettertjes vermeldden internetfinancier Newconomy en kabel- en internetbedrijf UPC de garanties die hen nu opbreken. Newconomy beloofde gouden bergen aan een zakenpartner, UPC beloofde beleggers een beursnotering voor zijn telefoniedochter vóór 1 oktober 2001. Zo niet, dan 200 miljoen dollar boete.

UPC kan door jarenlange verliezen geen cent missen en forceert nu een beursnotering. Newconomy heeft op een andere participatie (Ilse) zelf een prijsgarantie gekregen van VNU, maar op dat geld heeft ABN Amro recht.

VNU noemt de garantie (28,8 miljoen gulden) tegenover Newconomy niet specifiek in zijn jaarverslag, maar houdt het bij een algemene omschrijving zonder de minimale en maximale bedragen die de toezeggingen kosten. Terwijl VNU wel aardige informatie geeft over de actuele waarde van leningen en financiële ruiltransacties.

Afgegeven garanties zijn juist de addertjes onder het gras die bijten, maar het Nederlandse bedrijfsleven is van oudsher geen koploper in openheid.

Op 28 mei 1987 bracht uitgever Kluwer stiekem zijn meest winstgevende dochters, de juridische uitgaven, onder bij twee stichtingen. De actie preludeerde op een vijandig overnamebod dat concurrent Elsevier, waarmee Kluwer eerder had gepraat, op 3 juni lanceerde. De gift aan de stichtingen fungeerde als een zogeheten gifpil. Zelfs bij een succesvol bod zou Elsevier naast de kroonjuwelen grijpen. De gifpil kwam weken later aan het licht toen Kluwer en partner Wolters Samsom hun fusiedocument publiceerden.

De Amsterdamse effectenbeurs maakte korte metten met de gifpil. Hij past niet in de Nederlandse mores en dat is, op papier, zo gebleven. Maar wie controleert dat? En hoe herken je een gifpil?

Gifpillen hebben geen bijsluiters, van actief toezicht op het gebruik ervan blijkt niets. In de Verenigde Staten wemelt het van de varianten, die snode opkopers op extreme kosten jagen of de mooiste dochters ontnemen.

Tot de schaarse Nederlandse voorbeelden van een gifpil behoort de ,,gouden parachute'' die bestuursvoorzitter R. Homburg van vastgoedfonds Uni-Invest tot voor kort had. Bij een overname van het vastgoedfonds kreeg hij extra aandelen tegen een weggeefprijs die hij direct kon verzilveren tegen het hogere bod. De parachute bleek vorig jaar, bij een overigens mislukte overname, 339 miljoen gulden waard te zijn.

Een variant op de pil van Kluwer dook afgelopen week op bij bouwer en baggeraar HBG, die onder vuur ligt van bouwbedrijf Heijmans én baggeraar BosKalis. HBG heeft de recente krachtenbundeling van zijn uiterst winstgevende baggerdivisie met die van Ballast Nedam zo opgezet, dat na een coup bij de ene partner de ander de hele baggerfirma tegen dagwaarde kan kopen.

De omschrijving van de constructie staat in de kleine lettertjes op de een na laatste pagina van een memoramdum dat HBG afgelopen week over zijn strategisch beleid publiceerde.

Deze anti-coupclausule is aangevuld met twee afspraken die nadelig uitpakken voor de invloed van HBG-beleggers. HBG bezit tweederde van de joint-venture, Ballast Nedam de rest. Maar Ballast Nedam heeft wel een feitelijk vetorecht op cruciale besluiten binnen de samenwerking.

Er is een complexe tweede afspraak die kennelijk alleen voor HBG geldt. HBG moet zijn zeggenschap binnen de baggerbundeling halveren en er komt een stichting bij als derde beleidsbepaler in de joint-venture met Ballast Nedam als iemand wel meer dan 50 procent van de HBG-aandelen in handen krijgt, maar geen machtsgreep doet. Deze afspraak betekent een extra juridische complicatie voor een vijandige bieder en verstevigt daarmee de positie van het bestuur van HBG.

De onderzoekers J. Peters en P. Moerland, die in opdracht van de rechter de gang van zaken binnen HBG hebben onderzocht, noemen de afspraken met Ballast Nedam ,,overeenkomstig hetgeen bij dergelijke deals te doen gebruikelijk''.

Ervan uitgaande dat zij zich niet hebben laten foppen, wemelt het bij Nederlandse bedrijven van in joint-ventures verpakte gifpillen. Klaar om geslikt te worden. Beleggers hebben recht op informatie daarover.

HBG-commissaris C. Herkströter, die met een deskundigencommissie namens de beurs tijdige informatieverschaffing van bedrijven toetst, kan aan de slag.