Schatplichtig aan de madeleine

Een Michelinster in de wacht slepen – het moet de droom zijn van menige Europese chef-kok, die op een dag een tweetal eerbiedwaardige, gevreesde fijnproevers aan zijn tafel ziet schuiven. Het omgekeerde, een ster verliezen, zal nog dieper snijden: slecht voor het ego, slecht voor het zelfvertrouwen, nog slechter voor de inkomsten. Zelfs in een, culinair gezien, lauw land is dat nog smeuïg nieuws. Macht, geld en eer – daar draait het om, in de wereld van de haute cuisine net als in willekeurig welk ander domein.

`Wie nooit de roes van de macht heeft gekend', zo mijmert de hoofdpersoon uit De delicatesse, `heeft geen idee van de scheut adrenaline die plotseling door je hele lichaam stroomt, van de extase van de ongebreidelde macht wanneer de strijd achter de rug is en je nog slechts eindeloos geniet van de bedwelming vrees aan te jagen.'

Aan het woord is de op gastronomisch gebied grootste criticus ter wereld, die als een `meedogenloze scherprechter die overal het zoet en zuur van zijn pen heeft verspreid' reputaties heeft gemaakt en gebroken, wordt bewonderd, gevreesd en gehaat. Het is een antipathieke, maar boeiende hoofdpersoon die journaliste Muriel Barbery (1969) tot het onderwerp maakte van haar debuutroman. Antipathiek – om het kille egoïsme dat hij ten toon spreidt ten opzichte van vrouw, kinderen en de rest van de mensheid in het algemeen. Boeiend – om de grensverleggende creativiteit die bij deze koele kikker aangeboren bleek.

Op zijn sterfbed kijkt de oude criticus terug op zijn leven van schranspartijen, verfijnde diners, stromen wijn en alcohol en `zorgvuldig georkestreerde' gastronomische excessen. Een eindeloze reeks van subtiel genuanceerde smaken is zijn verwende verhemelte in de loop der tijden gepasseerd, maar er is maar één smaak die er werkelijk toe deed, een smaak die `de eerste en de laatste waarheid' van zijn leven was. Juist die ene smaak kan de fijnproever zich, op dit cruciale moment van zijn ten einde lopende bestaan, niet meer herinneren.

In korte hoofdstukjes laat Barbery haar hoofdpersoon in gedachten terugkeren naar die momenten dat hij neus, ogen en smaakpapillen tekort kwam om te genieten van het heerlijks dat men hem, in Tanger, Parijs of Bretagne, voorzette – op zoek naar die ene, doorslaggevende smaakervaring. Zo zijn er de gegrillde sardines die zijn grootvader ophaalde bij de Bretonse visafslag, `een voorwerp van begeerte' dat hij `met uitpuilende ogen' bekeek en waarvan hij `als een autistisch kind' genoot. Vis is `vreemd en wreed' en de sardine omgaf zijn verhemelte `met de nimbus van haar rechtstreekse, exotische aroma'. Er is de sinaasappelsorbet met een `buitengewone korreligheid' en zijn `buitensporige waterigheid', de `stalactieten' uit zijn kinderjaren. Of de rauwe tomaat, `de hoorn des overvloeds van de eenvoudige genoegens, een waterval die zich in de mond verspreidt, het avontuur'. En wat te denken van zijn eerste glas first-class whisky: eerst de neus, een `gecondenseerd gas van zintuiglijke rotskusten', gevolgd door `een explosie van piment' in de mond en `het verwoestende gevoel dat er in je binnenste een onderaardse oorlog woedt'.

Barbery bespeelt een indrukwekkend register aan verbale lyriek om met taal de niet tastbare finesses van zintuiglijkheid vorm te geven. Een tomaat geeft zij kleur en smaak, een geraniumblad geur en glans, een lindeboom lucht en bloemen – al balanceert ze wel eens op de grens van pathetiek of overdrijving, zoals in haar beschrijving van de erotiek van de mayonaise (`de harde groente dringt binnen in het smeuïge mengsel'). Natuurlijk passeert ook het befaamde madeleine-koekje van Proust: `afgrijselijk', die `bakkersgril', die `in sponsachtige stukjes' uiteenviel in een kopje kruidenthee. Toch is Barbery duidelijk schatplichtig aan de madeleine: haar hoofdpersoon gaat, door middel van een zoektocht naar de smaak, terug in zijn verleden en roept bewust herinneringen op om juist de onbewuste, de onwillekeurige uit de schemering van het geheugen te lokken.

En passant geeft Barbery, al filosoferend, enkele van haar uitgangspunten weg; over de kookkunst (`er is geen grote kookkunst zonder evolutie, erosie of vergetelheid') of het schrijverschap (`wat betekent het te schrijven, als het niets over de werkelijkheid zegt, zich niet bekommert om het hart, als het onderworpen is aan het genoegen uit te blinken?')

Ondanks de uitgebreide poëtische menukaart gaat De delicatesse niet ten onder in de beschrijving van ragouts, oesters, loukoumades (ronde beignets gedompeld in hete olie), geroosterd brood of andere heerlijkheden uit het gastronomisch woordenboek van de `godin Vreten'. De hoofdstukjes, van hoogstens een bladzijde of tien, waarin de stervende criticus aan het woord is, wisselt Barbery af met monologen waarin zijn vrouw, kinderen, buren, huisdieren, collega's en minnaressen hun hart luchten. De wens van zijn zoon Jean (`Ouwe etterbuil. Rottend kreng. Crepeer maar') zet de toon – een paar pagina's verder beantwoord door zijn vader (`het enige vaderschap waarop ik aanspraak maak, is dat van mijn oeuvre'). En dat maakt De delicatesse tot een krachtig debuut: het is niet alleen het boeiende verhaal van een gastronomisch dictator op zoek naar zijn verloren smaak of een originele inventaris van moderne smulpaperij, maar ook een flink gekruide, psychologische haatroman.

Muriel Barbery: De delicatesse (Une gourmandise).

Vertaald door Théo Buckinx. Prometheus, 116 blz. ƒ28,50