Puinruimen in het `paradijs'

De Surinaamse economie staat, na het wanbeleid van de regering-Wijdenbosch, voor een enorme sanering. Verbetering van de monetaire situatie alléén is niet genoeg. Gedwongen door de internationale ontwikkelingen kan het land niet meer om een moderne ontwikkelingsvisie heen. Welk pad heeft president Venetiaan voor ogen?

Het was een van de eerste dingen die André Telting bij de centrale bank te horen kreeg. ,,Meneer de president: het goud is weg.''

Voor een bankpresident staat zo'n mededeling bijna gelijk aan een hartaanval.

Het goud is weg?

Het bleek geen grap. Het overgrote deel van de goudvoorraad die de centrale bank van Suriname in kluizen in Paramaribo en Canada had liggen, was verdwenen. Om precies te zijn: van de 7645,7 kilo bleek nog 147,4 kilo over. Verpand door de regering-Wijdenbosch aan zakenbank Merrill Lynch en de Republic National Bank of New York. Opbrengst: een kleine 77,5 miljoen dollar.

Dat het zó erg was, had zelfs André Telting niet verwacht. Natuurlijk, hij wist dat de vorige regering er onconventionele methodes op nahield, speciaal als het om de overheidsfinanciën ging. Tenslotte was hij zelf als bankpresident opgestapt toen Wijdenbosch en zijn kornuiten in 1996 het roer overnamen. Met afgrijzen had hij gezien hoe er ongegeneerd in de staatskans werd gegraaid. En hoe in korte tijd de monetaire stabiliteit die hij in de eerste regeerperiode-Venetiaan (1991-1996) had weten te bewerkstelligen aan barrels ging. Eerlijk gezegd was dat ook de reden dat hij eigenlijk had willen bedanken voor een tweede ambtstermijn als bankpresident. Hij verwachtte een chaos aan te treffen die zó enorm was, dat er geen eer aan te behalen viel. Bovendien had de 65-jarige Telting zich voorgenomen het rustig aan te gaan doen. Dus toen het Nieuw Front, de bundeling van `oude politieke partijen', in mei vorig jaar de verkiezingen won, was Telting eigenlijk al aan zijn pensioen begonnen.

Een indringend beroep van Ronald Venetiaan deed hem zwichten. En dus betrok hij toch maar weer zijn oude werkkamer in het mooie houten gebouw van de centrale bank aan de Waterkant, met uitzicht op de Surinamerivier.

Dat is nu één jaar geleden. De ergste scherven zijn bijeengeraapt, maar het valt niet mee, vertelt Telting. Wijdenbosch, in 1996 president geworden dankzij onderlinge verdeeldheid in de Nieuw Front-coalitie, voerde een va-banque-beleid dat zijn weerga niet kent. Zijn regering schiep een economisch complex waarin over het algemeen geen verantwoording werd afgelegd. Niet bij de Rekenkamer. Niet bij de departementen. Niet bij de centrale bank. En al helemaal niet bij het parlement.

In al zijn triestheid is het tegelijkertijd fascinerend te bestuderen hoe het werkte. Een jaar geleden moest je je nog baseren op vermoedens. Maar na het aantreden van de nieuwe regering, is een en ander uitgezocht. De Commissie Inventarisatie Staatsschuld (CIS), ploos na hoe 's lands kas erbij staat en hoe dat zo gekomen is. Het eindrapport is een boeiend boekwerk geworden waarin – voorzover er papieren te vinden waren – keurig is gedocumenteerd hoe de staatskas werd geplunderd en het land op schulden werd gejaagd. Her en der werden harde valuta's aangetrokken, zoals door de goudverkoop, maar vooral door het aangaan van zeer ongunstige commerciële buitenlandse leningen. Hoewel het nog steeds niet exact duidelijk is, staat vast dat veel van dat geld gebruikt is voor het betalen van bevriende bedrijven en relaties, voor smeergelden, illegale wisselkoerscompensaties en diverse projecten, waarvan de bouw van twee grote bruggen door het Nederlandse bedrijf Ballast Nedam het meest aansprekend is.

Vanuit het raam van Teltings werkkamer kan je de grote brug over de Surinamerivier zien liggen. Het is een majestueus bouwwerk, net als de verbinding over de Coppenamerivier, in West-Suriname. Dat de bruggen nuttig zijn, zal niemand trouwens ontkennen. Het is een grote vooruitgang dat je tegenwoordig over land kan reizen van Albina, in het uiterste oosten, naar Nickerie, in het uiterste westen. Maar de prijs voor de staat Suriname is hoog geweest. En de bruggen van Ballast Nedam zijn ongewild uitgegroeid tot een exponent van de manier waarop het bewind-Wijdenbosch opereerde: onduidelijk, ondoordacht en vooral: verdacht. In het rapport van de CIS wordt ook het bruggenproject beschreven. Ze zijn, zonder openbare aanbesteding, voor 130 miljoen gulden geoffreerd. Dat gebeurde in 1997, hoewel het project in zijn geheel ontbrak in de begroting voor dat jaar. Het pakte ook allemaal wat duurder uit: ,,Welke oorzaken hebben geleid om de aannemingsom naderhand te brengen op 180 miljoen, is niet achterhaald'', aldus de CIS. Overigens bedraagt de uitgezette betalingsregeling niet 180 miljoen, maar 187,5 miljoen gulden: ,,Voor het verschil heeft de commissie geen verklaring kunnen vinden'', staat in het rapport.

Toen de bruggen niet konden worden afbetaald, maar vlak vóór de verkiezingen toch klaar moesten zijn, werd er een voor Suriname zeer nadelig contract gesloten. Een deel van de belangrijkste harde valutabron, de inkomsten uit bauxietwinning, werd als onderpand voor de afbetaling verstrekt. ,,Een onbehoorlijke regeling naar het Surinaamse volk toe'', vond president Venetiaan bij zijn aantreden en hij kondigde aan het contract open te willen breken. Ook minister Herfkens (ontwikkelingssamenwerking) sprak van ,,onverantwoord ondernemerschap'' en pleitte voor herschikking van de afbetalingsregeling. Hoe staat het daar eigenlijk mee? De Surinaamse regering heeft het hoofd in de schoot moeten leggen, vertelt bankpresident Telting: ,,Het contract dat Ballast Nedam heeft afgesloten is een juridische bunker. We komen daar nooit tussen. Over twee jaar zijn we ervan af, maar dan hebben we deze bruggen duur moeten betalen. Ik beschouw het maar als een pijnlijke erfenis en een soevereine schuld van het Surinaamse volk.'' Telting zegt dat hij geen Nederlandse ontwikkelingsgelden wilde besteden aan een eventuele schuldverlichting: ,,Los van het feit dat Den Haag dat waarschijnlijk niet had goedgekeurd, ben ik er zelf principieel tegenstander van. Die hele bruggenzaak is onduidelijk en schimmig, terwijl besteding van de ontwikkelingsgelden clean en netjes moet zijn.''

Het weer op gang komen van deze ontwikkelingsgelden, voortkomend uit het verdrag dat in 1975 bij de onafhankelijkheid werd gesloten, is één van de concrete zaken die de regering-Venetiaan na één jaar op haar conto kan bijschrijven. Naast enkele honderden miljoenen aan projecthulp komt er 390 miljoen gulden vrij om de schuldpositie van Suriname te verlichten. Ongeveer een kwart van dat geld zal worden gebruikt voor de afwikkeling van enkele zeer nadelige leningen, de rest zal worden toegevoegd aan de deviezenreserves waardoor de staat een deel van zijn schuld aanzuivert.

Het is een van de maatregelen om het land er weer een beetje bovenop te krijgen. Via noodwetgeving zorgde Telting en minister Hildenberg (Financiën) ervoor dat er op de binnenlandse markt geld kon worden geleend bij commerciële banken. Daardoor kon de schuldopbouw enigszins worden ingedamd en konden uitgaven `normaal' worden gefinancieerd. Verder werden subsidies afgeschaft, werd de koers van de Surinaamse gulden gedevalueerd en werd er een pakket belastingmaatregelen ingevoerd om de staatsinkomsten te vergroten. Inmiddels loopt de inflatie, die de hoogste was op het westelijk halfrond, terug en trekt de economie voorzichtig aan. Nieuwe wetgeving die de collectieve uitgaven beter administreert, is in aantocht.

Met de macro-economische cijfers gaat het dus iets beter. Maar nu de mensen nog. De kosten voor levensonderhoud zijn nog steeds hoog, net als de koers van de gulden. Zo hard als er aan de Waterkant gewerkt wordt (Telting: ,,de zon is bijna altijd al onder als ik naar huis ga''), zo traag gaat de politieke uitwerking van het economisch beleid aan de Kleine Combéweg, waar het kabinet vergadert. En dat terwijl het huidige tijdsgewricht schreeuwt om een ontwikkelingsvisie. Op het Amerikaanse continent worden de contouren van een nieuwe vrijhandelszone (FTAA, Free Trade Area of the Americas) steeds concreter. Suriname zal mee moeten in de vaart der volkeren. Nu al kampt de zwaar gesubsidieerde rijst- en bakovensector bijvoorbeeld met grote problemen omdat zij het hoofd niet boven water kan houden ten opzichte van concurrerende landen, hetzelfde effect dat zichtbaar was toen Suriname enkele jaren geleden toetrad tot het Caraïbisch samenwerkingsverband CARICOM.

Organisaties als de Surinaamse Vereniging van Economisten of de Inter Amerikaanse Ontwikkelingsbank vragen zich dan ook openlijk af of Suriname nog wel zoveel energie moet blijven steken in de agrarische sector, die meer als armoedebestrijder werkt dan als aanjager van economische groei. Beter perspectief zit er in investeringen in de mijnbouwsector. Naast de verdere ontwikkeling van de bauxietbedrijfstak, die tenslotte al goed georganiseerd is, liggen er mogelijkheden in de aluminium-, goud-, natuursteen- en oliesector. Om dat serieus te ontwikkelen moet het land investeringen durven doen en vooral: keuzes maken die gericht zijn op de toekomst.

Surinames economische sjablonen zijn al vele jaren hetzelfde: een inefficiënt en te groot overheidsapparaat, te weinig productiviteit en een schaduweconomie waarbij tienduizenden Surinamers in Nederland hun landgenoten ondersteunen met harde valuta of voedselpaketten. Dit alles binnen een samenleving die van `hosselen' (scharrelen, het onderling regelen) aan elkaar hangt. De periode-Wijdenbosch heeft dat laatste effect alleen maar vergroot. Banden tussen politiek en rijke zakenlieden hebben conglomeraten geschapen waarbinnen zaken gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen. Een politierechercheur, die uit veiligheidsoverwegingen niet met zijn naam in de krant wil: ,,Je ziet het voor je ogen gebeuren. Waarom heeft Suriname, met haar 400.000 inwoners, dertien casino's? Waarom floreren de wisselkantoren? Wij noemen het het WW-woord: witwassen, meneer, witwassen. Maar ja, het is een paradijs hier, hè?''

Met dat laatste is geen woord te veel gezegd. Suriname heeft geen wetgeving die witwassen aan banden legt. Melding of identificatie bij financiële transacties is niet nodig. Pas onlangs, na een scherp rapport van de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF), is er begonnen met de eerste conceptwetgeving. Maar ondertussen `bloeit' de sector. Drugsgeld natuurlijk, maar ook crimineel vermogen dat vanuit Europa in de Surinaamse casino's wordt witgewassen. Bij de politie weten ze het je precies te vertellen: het casino in die ene straat? Allemaal Colombiaans kapitaal. Die om de hoek? Vooral Turken en Russen. Dat autobedrijf, de cambio en de bijbehorende restaurants? Hindoestanen in de verdovende middelen. De rechercheur weet precies wat er moet gebeuren: ,,Schoonvegen die boel. We weten alles, maar hebben geen middelen. Gebrekkige wetgeving, geen goed anti-fraudeteam, onderbemande opsporingsdiensten.''

Het huidige kabinet-Venetiaan is na een jaar regeren nog niet betrapt op een moderne ontwikkelingsvisie. Concrete beleidsmaatregelen, zoals beloofde nieuwe wetten, een sterker justitieapparaat of duidelijke keuzes als het gaat om de toekomstige inkomstenbronnen van de staat laten nog op zich wachten. Veel tijd heeft Venetiaan niet meer: uiterlijk in 2005 moet de FTAA een feit zijn. Dan zal monetaire stabiliteit alléén niet genoeg zijn, maar moet Suriname zijn positie in het Carïbisch gebied bepaald hebben. Of de president dat helder voor ogen heeft, is onduidelijk. Zijn toespraken van het afgelopen jaar blijven vooral steken in algemeenheden. En toen het hem onlangs, tijdens een persconferentie specifiek gevraagd werd, zei hij: ,,We hebben geen pad van rozen voor ogen, maar wel een pad waar we vastberaden op verder kunnen gaan.'' Maar hoe dat pad belopen moet gaat worden, blijft voorlopig gissen.

Vijfde artikel in een serie over Suriname, één jaar na het aantreden van de regering-Venetiaan. Eerdere artikelen verschenen op 15, 16, 18 en 22 augustus.

Dossier: www.nrc.nl/dossiers